Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
22 juni 2021.
Hoge Raad
De betrokkene was directeur en enig aandeelhouder van een BV die personeel 'zwart' inhuurde en valse facturen opnam in de bedrijfsadministratie. Het hof stelde vast dat door deze constructie contante geldbedragen aan de betrokkene zijn onttrokken, die niet zijn besteed aan werkgeversverplichtingen maar aan de betrokkene zelf toekwamen.
De Hoge Raad bevestigt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 967.607,52, gebaseerd op uren zwart uitbetaald personeel en contante betalingen aan onderaannemers. Het hof gebruikte een uurtarief van € 7,80, aansluitend bij het nettoloon vastgesteld door de Belastingdienst.
De Hoge Raad oordeelt dat het feit dat de vennootschap zelf geen voordeel behaalde door de valse facturen niet afdoet aan het oordeel dat de betrokkene persoonlijk voordeel heeft genoten. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 967.607,52.