Conclusie
“in ieder geval […] als wederrechtelijk genoten voordeel kan worden aangemerkt”. Vervolgens overweegt het hof dat de vaststellingen in de tweede pijler – het feit dat de facturen niet uit naam van [bedrijf 3] N.V. in rekening gebracht hadden mogen worden – maken dat als uitgangspunt
“het volledige bedrag aan kosten zoals gedeclareerd, te weten € 5.515.000,00 (exclusief BTW), als wederrechtelijk verkregen voordeel [kan] worden aangehouden”. Tot slot wordt het winstaandeel van de betrokkene in [bedrijf 3] N.V. in de onderzoeksperiode becijferd (€ 5.275.425,-).
per saldo” op € 3.956.568,75.
aan [bedrijf 3] N.V.– en juist
nietaan de betrokkene – zijn voldaan.
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
toestand, maar om de vermogens
aanwasdie door het delict is veroorzaakt.
door middel van of uit de baten van” het in de strafzaak bewezen verklaarde feit of (sinds 1 juli 2011) de in die bepaling bedoelde andere strafbare feiten. [28] In de regel zal het voordeel ‘rechtstreeks’ voortvloeien uit het gronddelict, zoals in geval van winst uit de verkoop van verdovende middelen of de opbrengst van diefstal of verduistering. Niet in alle gevallen is echter onmiddellijk inzichtelijk dat en op welke wijze het gronddelict voordeel heeft opgeleverd, zoals bij het enkele aanwezig hebben van verdovende middelen of bij de enkele omstandigheid dat een goed, zoals een geldbedrag, voorwerp is van het bewezen verklaarde misdrijf ‘witwassen’. Die enkele omstandigheid brengt niet met zich dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. [29] De ontnemingsrechter zal in die gevallen moeten motiveren op welke gronden kan worden aangenomen dat deze delicten daadwerkelijk voordeel hebben gegenereerd.
kennelijk ertoe strekte en geëigend was voordeel te genereren”, aldus de Hoge Raad. [30] Als in de strafzaak bijvoorbeeld bewezen is verklaard het verdere vervoer, de opslag en de ontvangst van heroïne, bestaat er het vereiste, causale verband tussen het bewezen verklaarde feit en de opbrengst die door middel van de daarop volgende verkoop van de heroïne is verkregen. [31] Daarvoor hoeft de ontnemingsrechter dus niet terug te vallen op de grondslag van ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in het huidige artikel 36e lid 2 Sr. Een ander voorbeeld betreft de ontneming van voordeel dat is gegrond op het bewezen verklaarde economische delict ‘zonder vergunning opslaan van afvalwater/biowater’, in een geval waarin de veroordeelde voor het afnemen van dat biowater was betaald en hij dit biowater voordelig (namelijk met besparing van kosten) kon verwerken. [32]
De schatting van het hof dat het door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene € 967.607,52 bedraagt, getuigt – gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat met het enkele opnemen van valse facturen in de bedrijfsadministratie van de vennootschap geen voordeel door de vennootschap is verkregen. De schatting van het hof heeft immers betrekking op het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij in de vaststellingen van het hof besloten ligt dat als gevolg van het opnemen van de valse facturen in de bedrijfsadministratie van de vennootschap het voor de betrokkene mogelijk was om contante geldbedragen te onttrekken aan de vennootschap, waarbij de na betalingen aan onderaannemers resterende gelden aan de betrokkene ten goede zijn gekomen.”
“de volledige zeggenschap had over de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V. en exclusief over het vermogen van die rechtspersoon kon beschikken”. [37] Vervolgens overweegt het hof:
mijns inzienstoepasselijke beoordelingskader verwijs ik naar mijn (tot verwerping van het cassatieberoep strekkende) conclusie van 3 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:895, onder de randnummers 9 tot en met 16. In die zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. [39] In mijn uiteenzetting heb ik gewezen op de (vermogensrechtelijke) hoofdregel van rechtspersoonlijkheid. Die houdt in dat een als ‘rechtspersoon’ aangemerkte entiteit als zelfstandige drager van rechten en verplichtingen deelneemt aan het maatschappelijk verkeer en als zodanig beschikt over een eigen vermogen dat is afgescheiden van dat van de natuurlijke personen die het beleid van de rechtspersoon kunnen bepalen en tot het vermogen ervan gerechtigd zijn.
de volledige zeggenschap had over de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V. en exclusief over het vermogen van die rechtspersoon kon beschikken”, komt het mij voor dat de vaststelling dat de betrokkene als enig bestuurder en middellijk grootaandeelhouder volledige zeggenschap had over zijn eigen praktijkvennootschap en als enige over het vermogen ervan kon beschikken, op zichzelf niet onbegrijpelijk is. Ook in zoverre gaat de eerste deelklacht niet op.
de gehele winstuitkering die uit de bewezenverklaarde feiten door [bedrijf 1] B.V. is ontvangen aan verzoeker kan worden toegerekend” mist feitelijke grondslag. Voor zover de stellers van het middel het oog hebben op het
door de betrokkene persoonlijkwederrechtelijk genoten voordeel, heeft het hof immers “
per saldo” niet meer dan 75% van het bedrag van de winstaandelen aan hem als wederrechtelijk verkregen voordeel toegerekend. [40] Over deze verdeelsleutel (en de grondslag daarvoor) kun je discussiëren, maar
diediscussie gaan de stellers van het middel op zichzelf niet aan.
kan, althans
magworden onttrokken, en dat dit voordeel dus ook niet zonder meer in volle omvang aan de natuurlijke persoon kan worden toegerekend.
kunnenbijvoorbeeld redenen zijn om hierbij de belastingheffing bij de rechtspersoon in aanmerking te nemen. [41]
als hier herhaald” moet worden beschouwd. Hieruit maak ik namelijk op dat de inhoud van deze conclusies niet daadwerkelijk is herhaald. Ik acht dat bezwaarlijk. Het proces ter terechtzitting dient tegemoet te komen aan het beginsel van externe openbaarheid. Dat wordt tekortgedaan indien de rechter de inhoud van processtukken waarvan hijzelf wél, maar het publiek géén kennis heeft kunnen nemen – in strijd met de werkelijke gang van zaken – als ‘herhaald voorgedragen’ beschouwd. Om die reden dient voorop te staan dat ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid wordt aangegeven welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen. Wel kan de rechter instemmen met een bekorting van het pleidooi, waarvan moet blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting.