Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Namens partijen is de zaak mondeling toegelicht, voor belanghebbende door G.J.M.E. de Bont, advocaat te Amsterdam, voor de Staatssecretaris door C.M. Bergman, advocaat te Den Haag.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 juni 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2] De conclusie van de Advocaat-Generaal is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.
2.Uitgangspunten in cassatie
In het jaar 2000 hield [A] 53,05 procent van de aandelen in [C] en [B] de resterende 46,95 procent van die aandelen. Vanaf 22 december 2002 beliepen deze belangen 64,3 procent onderscheidenlijk 27,8 procent. Vanaf die datum was de resterende 7,9 procent van de aandelen in [C] in handen van diverse derden-aandeelhouders.
3.Beoordeling van de middelen
Volgens artikel 10a, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet vindt dat eerste lid evenmin toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat bij degene aan wie de rente is verschuldigd, over die rente per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Volgens de slotzin van die bepaling is een naar de winst geheven belasting naar Nederlandse maatstaven redelijk indien deze resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10 procent over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst. Ook in dat geval is aftrek van rentelasten mogelijk.
In zo’n geval is aftrek van rentelasten op die schulden op grond van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet alleen mogelijk indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan die omleiding van de voor de externe acquisitie aangewende middelen (een zogenoemde zakelijke omleiding). Daarmee heeft de belastingplichtige het in die bepaling bedoelde bewijs, zoals hiervoor in 3.3.2, eerste alinea, omschreven, geleverd.
Maakt de belastingplichtige daarentegen zodanige zakelijke overwegingen niet aannemelijk en heeft hij dus niet het hiervoor bedoelde bewijs geleverd, dan moet worden aangenomen dat de omleiding kunstmatig en dus onzakelijk is (een zogenoemde onzakelijke omleiding). [3] Dan is aftrek van rentelasten niet mogelijk, behoudens de eventuele toepassing van het hiervoor in 3.3.2, tweede alinea, weergegeven artikel 10a, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet.
De in het onderhavige jaar geldende regeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet is nagenoeg gelijkluidend aan die welke aan de orde was in het arrest X BV en X NV.
Raadpleging van punt 56 in andere taalversies dan de Nederlandse geeft geen aanwijzingen die deze mening evident weerleggen.
Dit een en ander doet bij de Hoge Raad de twijfel rijzen of zijn hiervoor in 3.7.2 weergegeven opvatting juist is. Die opvatting komt erop neer dat schulden die geen verband houden met de economische realiteit en slechts zijn bedoeld om een aftrekbare last te creëren, een volstrekt kunstmatig karakter hebben, ook als zulke schulden tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan.
Gelet op punt 51 van het arrest Lexel, alsmede in aanmerking genomen het – op een herfinanciering betrekking hebbende – arrest van het Hof van Justitie van de Europese Vrijhandelsassociatie van 1 juni 2022, PRA Group Europe AS, [17] is het evenwel niet zonder twijfel dat die opvatting van de Hoge Raad juist is.