Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2023:1012

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juli 2023
Publicatiedatum
30 juni 2023
Zaaknummer
21/05347
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511f SvArt. 359 lid 3 SvArt. 511c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering schatting wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt

De betrokkene werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt, waarbij het voordeel werd geschat op €5.000. Het hof baseerde deze schatting deels op een schikkingsvoorstel van het Openbaar Ministerie en indicatoren van eerdere oogsten, maar gaf geen toereikende motivering van de gebruikte bewijsmiddelen.

In cassatie klaagde de betrokkene dat het hof niet voldoende had aangegeven op welke wettige bewijsmiddelen de schatting was gebaseerd, zoals vereist op grond van artikel 511f Sv en artikel 36e Sr. De Hoge Raad bevestigde dat de rechter met voldoende nauwkeurigheid moet aangeven welke bewijsmiddelen zijn gebruikt voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De Hoge Raad oordeelde dat de verwijzing naar het schikkingsvoorstel onvoldoende is en dat de bestreden uitspraak geen toereikende vermelding van de bewijsmiddelen bevat. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling en beslissing.

De overige klachten werden niet behandeld omdat de gegrondverklaring van het cassatiemiddel reeds tot vernietiging leidde. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 4 juli 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/05347 P
Datum4 juli 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2021, nummer 23-000297-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het voert daartoe onder meer aan dat de bestreden uitspraak niet de inhoud bevat van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.
3.2.1
Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 5.000. Het arrest van het hof houdt over deze schatting onder meer het volgende in:
“De enkele, niet onderbouwde stelling van de betrokkene dat hij niets heeft verdiend aan de hennepkwekerij is niet aannemelijk. Uit de diverse indicatoren die zijn genoemd in het ontnemingsrapport – onder meer stof en kalkaanslag op diverse onderdelen, hennepafval, lege potten en flessen en zakken nieuwe aarde –blijkt dat er ten minste één eerdere oogst moet zijn geweest. Uit deze indicatoren zou ook kunnen worden afgeleid dat er meer oogsten zijn geweest, maar onduidelijk is hoeveel. Nu meer dan één oogst niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan, zal het hof daarom bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het voordeel van de betrokkene uitgaan van één eerdere oogst.
De rechtbank heeft met de opgelegde betalingsverplichting klaarblijkelijk aangesloten bij het schikkingsvoorstel dat het openbaar ministerie aan de betrokkene heeft gedaan.
Ook het hof zal het schikkingsvoorstel van € 10.000,- tot uitgangspunt nemen. Dit was gebaseerd op twee eerdere oogsten. Nu het hof uitgaat van één eerdere oogst, zal bij de vaststelling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van de helft van dit bedrag, te weten € 5.000,00.
Het hof acht redelijk en aannemelijk het door betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op € 5.000,00.”
3.2.2
De aanvulling op de verkorte uitspraak houdt het volgende in:
“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2014 088427 van 29 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde pagina’s 82 t/m 84).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van aangever:
De hiervoor genoemde fraudespecialist en de eerdergenoemde politieambtenaar hebben aan de hand van indicatoren (zie bijlage “Indicatoren gebruik hennepplantage” en “Opnameformulier Energiefraude”) vastgesteld dat er sprake is geweest van eerdere oogsten.
Uit het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in bovengenoemd perceel in ieder geval in de periode van september 2013 tot 10 april 2014. Dit betekent dat er in deze periode vermoedelijk sprake is geweest van tenminste twee eerdere oogsten.
2. Een schriftelijke bescheid, inhoudende een schikkingsvoorstel van de Officier van Justitie mr. L.H. van der Veldt van 15 juni 2018. Dit voorstel luidt:
De Officier van Justitie doet hierbij aan [betrokkene], die is veroordeeld ter zake van strafbare feiten als aangeduid in het strafdossier met parketnummer 13/147751-17, het aanbod tot een schikking als bedoeld in art. 511c Wetboek van Strafvordering te komen, teneinde daarmee een veroordeling tot ontneming van het wederrechtelijk genoten voordeel als bedoeld in art. 36e Wetboek van Strafrecht te voorkomen.
De Officier van Justitie biedt hiertoe aan de ontnemingsvordering in te trekken indien aan de hieronder vermelde voorwaarden wordt voldaan:
Betaling aan de Staat der Nederlanden van een geldsom van € 10.000,-.”
3.3
Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechter de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) alleen ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Artikel 359 lid 3 Sv Pro is in dergelijke zaken van overeenkomstige toepassing. De beslissing op een vordering als bedoeld in artikel 36e Sr moet dus de inhoud bevatten van de (wettige) bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.
Daarom moet ook in ontnemingszaken van de rechter worden gevergd dat hij met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeeft aan welk wettig bewijsmiddel hij de feiten en omstandigheden heeft ontleend waarop hij die schatting heeft gebaseerd. (Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426.)
3.4
De bestreden uitspraak bevat echter niet zo’n toereikende vermelding van de bewijsmiddelen. De verwijzing naar het schikkingsvoorstel van het openbaar ministerie, zoals hiervoor weergegeven onder 3.2.2, volstaat in dat verband niet.
3.5
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 juli 2023.