ECLI:NL:HR:2023:1374
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over redelijke termijn en vergoeding immateriële schade in belastingzaak
Belanghebbende stelde een beroep in cassatie tegen het oordeel van het Gerechtshof Den Haag over de redelijke termijn in een procedure omtrent de onroerendezaakbelasting 2019.
De rechtbank had vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting niet was overschreden vanwege bijzondere omstandigheden door de coronapandemie, waarbij zittingen waren uitgesteld. Het hof verlengde de redelijke termijn met vier maanden vanwege de sluiting van gerechtsgebouwen en het opnieuw inplannen van zittingen.
De Hoge Raad oordeelt dat de coronapandemie niet in algemene zin een bijzondere omstandigheid vormt die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt, tenzij partijen waren uitgenodigd voor een zitting tijdens de sluitingsperiode (17 maart tot 10 mei 2020). Dit was niet het geval, waardoor het hof onjuist heeft geoordeeld.
De redelijke termijn is daardoor overschreden met minder dan zes maanden, volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag moet belanghebbende een vergoeding van €500 betalen voor immateriële schade. Daarnaast worden proceskosten en griffierechten aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De Hoge Raad kent een vergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase en veroordeelt de gemeente in proceskosten.