Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
19 december 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een protest op 5 januari 2019 aan boord van een vliegtuig op Schiphol, waarbij de verdachte weigerde te gaan zitten op aanwijzing van de Koninklijke Marechaussee (KMar) tijdens de gedwongen uitzetting van een vreemdeling. De verdachte bleef staan en riep anderen op hetzelfde te doen, waardoor het vertrek van het vliegtuig werd belemmerd.
Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de KMar bevoegd was op grond van artikel 46 lid 2 sub b van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 om de verdachte aan te wijzen plaats te nemen op haar stoel. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat deze bevoegdheid niet beperkt is tot grenspassanten, maar ook geldt voor personen die zich hinderlijk ophouden op of nabij een grensdoorlaatpost.
Daarnaast verwierp het hof het beroep van de verdediging dat de strafvervolging in strijd was met de rechten op vrijheid van meningsuiting en vergadering zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM. De Hoge Raad onderschrijft dat het niet opvolgen van de aanwijzingen een laakbare gedraging is die strafrechtelijk kan worden bestraft, en dat de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 300 proportioneel is en geen chilling effect veroorzaakt.
Tot slot constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, maar ziet geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg dan deze constatering. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 300 voor het niet opvolgen van een aanwijzing van de KMar tijdens een protest op Schiphol.