Conclusie
Nummer22/03695
Inleiding
De zaak
De cassatiemiddelen in het kort
Bewezenverklaring, bewijsvoering en procesverloop
Het hof verwerpt het verweer onder IV dat sprake zou zijn van een wettelijk niet toelaatbaar integraal demonstratieverbod, waarbij de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 niet op zijn merites is beoordeeld.
In de brief van 21 mei 2020, in samenhang met de daarbij opnieuw meegestuurde brief van 1 februari 2019, is toereikend - want voldoende concreet en met feiten onderbouwd - gemotiveerd dat en waarom de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en in het belang van het verkeer en ter bestrijding van en voorkoming van verdere wanordelijkheden. De voorschriften en beperkingen zijn door daartoe bevoegde autoriteiten gegeven. Dit leverde geen ontoelaatbare beperking op van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door art. 10 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beperking was bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van onder meer wanordelijkheden, zoals bedoeld in het tweede lid van die verdragsbepaling. Voor de beperking bestond een dringende maatschappelijke noodzaak en zij was niet disproportioneel.
In het verweer is ook de feitelijke grondslag van de besluiten in de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 bestreden. De verdachte heeft daarmee echter niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke grondslag van de genoemde besluiten gebrekkig is. Dat wordt niet anders doordat in de brief van 21 mei 2020 niet uitdrukkelijk is ingegaan op het idee van de verdachte dat het besluit over de verdeling van de zondagen tussen pro-Israël en pro-Palestina betogers niet langer gold. Uit de motivering van het besluit van 24 mei 2020 [ik begrijp: 21 mei 2020, MvW] blijkt dat van een disproportionele beperking van het recht van de verdachte om te demonstreren geen sprake is.
Wat betreft het besluit van 1 februari 2019 verdient opmerking dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in zijn beslissing van 7 maart 2019 heeft geweigerd om het besluit van 1 februari 2019 te schorsen.
De raadsman heeft aangevoerd dat de autoriteiten moeten faciliteren dat demonstraties van personen met tegengestelde standpunten bij voorkeur ‘within sight and sound’ van elkaar kunnen plaatsvinden. Alleen wanneer ordehandhaving volstrekt disproportionele politie-inzet zou vergen, is een preventief demonstratieverbod gerechtvaardigd. Dergelijke bestuurlijke overmacht is ter zake van de demonstratie van 24 mei 2020 niet aannemelijk.
Op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven, verwerpt het hof ook dit verweer.
De raadsman heeft in zijn pleitnota onder VI betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Onbegrijpelijk is dat de situatie op de Dam sinds de brief van 1 februari 2019 niet zou zijn verbeterd en dat sprake lijkt van escalatie, omdat demonstranten en tegendemonstranten sindsdien niet meer tegelijk mochten demonstreren. Niet is gemotiveerd dat meerdere incidenten zouden hebben plaatsgevonden en dat verdachte of zijn mede-betogers daarmee iets te maken hadden.
Onder VII is betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onrechtmatig is, omdat het is gebaseerd op het onrechtmatige generieke demonstratieverbod van 1 februari 2019.
Onder VIII is aangevoerd dat de gestelde beperkingen niet in overeenstemming zijn met artikelen 19 en 21 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikelen 10 en 11 van het EVRM. De aan de demonstratie verbonden voorschriften waren niet ‘necessary’ in de zin van artikelen 10 en 11 EVRM, althans berusten dezen niet op ‘relevant and sufficiënt reasons’.
Het hof verwerpt deze verweren op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven. Daarbij verdient opmerking dat niet nodig is dat de verdachte of zijn mede-betogers bij eerdere incidenten betrokken zijn geweest om - ook voor hem - de gelegenheid om te demonstreren op een specifieke locatie te beperken, zoals dat is gebeurd. Van een onrechtmatig generiek demonstratieverbod is geen sprake en de beperking van de grondrechten van de verdachte kan de toets aan de genoemde verdragen doorstaan.”
Het eerste middel
onevenweek de beperking zal stellen dat deze demonstratie buiten de Dam moet worden gehouden en niet langer mag duren dan drie uur. Alsmede dat zij naar aanleiding van een kennisgeving van een demonstratie op de Dam op een zondag in een
evenweek de beperking zal stellen dat deze in een bepaald gebied aan de paleiszijde moet worden gehouden en niet langer mag duren dan drie uren. De brief zou in dat geval niet zelf al beperkingen stellen aan de komende betogingen van de verdachte.
Lashmankin e.a. tegen Rusland, in welke zaak het draaide om een groot aantal personen wiens demonstratierecht op uiteenlopende manieren was beperkt, [27] overwoog het hof hierover:
Lashmankin tegen Ruslandspeelde voor het EHRM ook mee dat de relevante Russische wetgeving niet vereiste dat de manifestaties zouden worden verplaatst op een wijze “such that the message which they [the organisers, MvW] seek to convey is still capable of being communicated”. In de praktijk waren enkele demonstraties verwezen naar ver afgelegen locaties. Het hof overweegt hierover dat indien niet alleen sprake is van een beperking die inhoudt dat niet geprotesteerd kan worden “within sight and sound of the target audiences”, maar de demonstratie verwezen wordt naar een plek zo afgelegen dat “its impact will be muted”, sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk en dus van een schending van art. 11 EVRM Pro. [38] Hieruit kan worden afgeleid dat het er toe doet wat als alternatieve locatie wordt aangewezen of overeengekomen: indien dit een locatie is waar veel aanloop is, zal minder snel van een schending sprake zijn.
Lashmankin tegen Ruslandachtte het hof ten slotte dat in de Russische aanpak “a clear risk of arbitrariness” volgde uit de ruime discretionaire bevoegdheden van de autoriteiten. In dat verband noemt het hof als voorbeeld dat voor een demonstratie van homorechtenactivisten door de organisatoren liefst tien locaties in het stadscentrum van Moskou waren aangedragen, die elk werden geweigerd, terwijl een “anti-gay public event” wel werd toegelaten. Eenzelfde vorm van ongelijkheid signaleerde het hof bij demonstraties voor een oppositiebeweging in Rostov aan de Don (waarbij zeventien van de achttien in het stadscentrum werden geweigerd) versus pro-overheid manifestaties (die telkens zonder kenbare problemen doorgang konden vinden). [39] Uit een en ander volgt dat - niettegenstaande het feit dat de overheid niet mag treden in de inhoud van demonstraties - het (juist) zo kan zijn dat de neutraliteit van de overheid verlangt dat in een publiek debat voor- en tegenstanders van een bepaalde kwestie dezelfde mogelijkheden tot demonstreren hebben.
Öllinger tegen Oostenrijk. [40] Ook in deze zaak nam het hof een schending van art. 11 EVRM Pro aan. De feiten kwamen er op neer dat door de autoriteiten een bijeenkomst was verboden die tot doel had om door de SS gedode Joden te herdenken. De reden die hiervoor door de autoriteiten was aangedragen was dat op dezelfde locatie (een begraafplaats) en hetzelfde moment (Allerzielen) al een bijeenkomst werd georganiseerd door de “Kameradschaft IV”, welk gezelschap SS’ers wilde herdenken. De overheid hield er rekening mee dat tussen beide groeperingen spanningen zouden ontstaan die de waardigheid van de begraafplaats op die dag zou aantasten. Het resultaat van het verbod was nochtans - en daarin schuilt de overeenkomst met het hiervoor genoemde - dat één partij (de Kameradschaft IV) zijn recht van vrijheid van bijeenkomst ten volle kon verwezenlijken, terwijl de andere partij geconfronteerd werd met een volledig verbod op de bijeenkomst. [41]
Lashmankin tegen Rusland, deze keer over een wettelijke regel die alle betogingen op bepaalde plekken verbiedt, zoals betogingen bij gerechtsgebouwen en penitentiaire inrichtingen [42] :
Animal Defenders International v. the United Kingdom[GC], no. 48876/08, § 106, ECHR 2013 (extracts)). However, a general ban on demonstrations can only be justified if there is a real danger of their resulting in disorder which cannot be prevented by other less stringent measures. In this connection, the authority must take into account the effect of a ban on demonstrations which do not by themselves constitute a danger to public order. Only if the disadvantage of such demonstrations being caught by the ban is clearly outweighed by the security considerations justifying the issue of the ban, and if there is no possibility of avoiding such undesirable side effects of the ban by a narrow circumscription of its scope in terms of territorial application and duration, can the ban be regarded as being necessary within the meaning of Article 11 § 2 of the Convention (see
Christians against Racism and Fascism v. the United Kingdom, no. 8440/78, Commission decision of 16 July 1980).
Animal Defenders International,cited above, §§ 108 and 114-16). The Court is therefore not persuaded that the Government provided a convincing justification for the general ban in question.”
Het tweede middel
Kudrevičius e.a. tegen Litouwenoverweegt het EHRM:
Primov and Others, cited above, § 119). Thus, the use by the police of pepper spray to disperse an authorised demonstration was found to be disproportionate, even though the Court acknowledged that the event could have disrupted the flow of traffic (see
…).” [50]
Frumkin tegen Ruslandbenadrukt het EHRM een zaakspecifieke beoordeling en noemt het nog enkele andere relevante factoren:
Oya Ataman, cited above, §§ 37 and 39). The limits of tolerance expected towards an unlawful assembly depend on the specific circumstances, including the duration and the extent of public disturbance caused by it, and whether its participants had been given sufficient opportunity to manifest their views (see
…).”
in abstracto” kan worden bepaald maar van geval tot geval moet worden beoordeeld [51] is de EHRM-jurisprudentie noodzakelijkerwijs casuïstisch. Ik ben in deze rechtspraak ik geen gevallen tegengekomen waarin een schending van art. 11 EVRM Pro werd aangenomen in een situatie die vergelijkbaar is met de onderhavige casus. Wel vermeld ik hier dat in
Lashmankin tegen Ruslandhet EHRM de mogelijkheid zag om de regels rondom kennisgevingen te handhaven door de demonstratie door te laten gaan, maar ter plaatse of later een boete op te leggen. [52]