Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
9 juni 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft de teruggave van kunstschatten die vier Krimmusea in 2013 aan het Allard Pierson Museum (APM) in Amsterdam hebben uitgeleend. Na de feitelijke afscheiding van de Krim van Oekraïne in 2014 ontstond een geschil over wie gerechtigd is tot de museumstukken: de Krimmusea, de Staat Oekraïne of de Autonome Republiek Krim (ARK).
De bruikleenovereenkomsten waren onderworpen aan Oekraïens recht en voorzien in teruggave van de stukken uiterlijk in juni 2014, met een mogelijke verlenging tot september 2014. Na conflicterende aanspraken van de Krimmusea en de Staat Oekraïne heeft het APM de teruggave opgeschort en houdt het de stukken onder zich.
De rechtbank veroordeelde het APM tot afgifte aan de Staat Oekraïne, wat het hof grotendeels bekrachtigde. Het hof oordeelde dat de Oekraïense Museumwet en de daarop gebaseerde ministeriële Order No. 292, die tijdelijke bewaring van de stukken in Kiev voorschrijft, een buitenlandse voorrangsregel vormen die moet worden toegepast op grond van Nederlands internationaal privaatrecht (art. 10:7 BW Pro).
De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen van de Krimmusea en bevestigt dat de toepassing van de Oekraïense regeling niet in strijd is met het EVRM. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het zwaarwegende culturele belang van de Staat Oekraïne voorrang verdient boven de aanspraken van de Krimmusea, ook al is het eigendom van sommige stukken betwist. De Hoge Raad bevestigt daarmee de veroordeling tot teruggave aan de Staat Oekraïne.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Krimschatten moeten worden teruggegeven aan de Staat Oekraïne op grond van Oekraïens dwingend recht.