ECLI:NL:PHR:2023:822

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2023
Publicatiedatum
20 september 2023
Zaaknummer
22/03114
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 1062 lid 1 RvArt. 1062 lid 4 RvArt. 1064 lid 4 RvArt. 1065 lid 1 sub a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat executie arbitrale vonnissen tegen Russische Federatie niet geschorst is en IE-rechten toebehoren aan Russische Federatie

Deze zaak betreft een executiegeschil tussen FKP, een Russische staatsonderneming, en HVY, voormalige aandeelhouders van Yukos Oil Company. HVY legden beslag op merken- en auteursrechten die worden gebruikt voor Russische wodka in de Benelux, ten laste van de Russische Federatie en FKP, ter verhaal van vorderingen uit arbitrale vonnissen.

De rechtbank Den Haag hechtte aan opheffing van het beslag, het hof vernietigde dit gedeeltelijk en oordeelde dat de arbitrale vonnissen ondanks lopende vernietigingsprocedure niet geschorst zijn en dat de IE-rechten zich in het vermogen van de Russische Federatie bevinden. FKP stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.

De Hoge Raad bevestigt dat de lopende vernietigingsprocedure de tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen niet schorst, omdat de vernietiging van eerdere arresten slechts beperkt was tot een onderdeel en het oorspronkelijke vonnis van de rechtbank Den Haag niet herleefde. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat FKP niet als volledig rechthebbende op de IE-rechten kan worden beschouwd, omdat de Russische Federatie op grond van statuten en overeenkomsten vergaande bevoegdheden behoudt die de beschikkingsbevoegdheid van FKP beperken. Hierdoor bevinden de IE-rechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van FKP wordt verworpen; de executie van de arbitrale vonnissen is niet geschorst en de IE-rechten behoren toe aan de Russische Federatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03114
Zitting22 september 2023
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
Russische Staatsonderneming FKP Sojuzplodoimport, gevestigd te Moskou, Russische Federatie (hierna: FKP)
tegen
1. Hulley Enterprises Limited, gevestigd te Nicosia, Cyprus
2. Veteran Petroleum Limited, gevestigd te Nicosia, Cyprus
3. Yukos Universal Limited, gevestigd te Douglas, Isle of Man
(verweerders sub 1 t/m 3 hierna gezamenlijk: HVY)

1.Inleiding

1.1
Deze zaak betreft een executiegeschil. HVY hebben ten laste van de Russische Federatie en ten laste van en onder FKP executoriaal beslag gelegd op merken- en auteursrechten die worden gebruikt voor de exploitatie van Russische wodka in de Benelux. Het beslag dient tot verhaal van de vorderingen van HVY op de Russische Federatie uit hoofde van drie arbitrale beslissingen.
1.2
FKP heeft zowel HVY als de Russische Federatie gedagvaard en primair opheffing van het beslag en subsidiair schorsing van de executie van het beslag gevorderd. De rechtbank heeft de primaire vordering van FKP toegewezen en het beslag opgeheven. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beslag opgeheven voor zover dat ten laste van en onder FKP was gelegd en op een deel van de auteursrechten. In het onderhavige cassatieberoep komt FKP op tegen de oordelen van het hof dat: (i) de huidige stand van de vernietigingsprocedure met betrekking tot de arbitrale beslissingen niet meebrengt dat de tenuitvoerlegging daarvan is geschorst; en (ii) de beslagen merken- en auteursrechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden.
1.3
De Russische Federatie heeft zelfstandig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Die zaak is bij de Hoge Raad aanhangig onder het zaaknummer 22/03139, waarin ik vandaag eveneens conclusie neem. In die conclusie sta ik ook stil bij de oordelen van het hof zoals hiervoor omschreven.
1.4
Deze zaak wordt door het oude arbitragerecht beheerst, te weten door de bepalingen van het Vierde Boek (‘Arbitrage’) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals die hebben gegolden tot aan de invoering van de Wet modernisering Arbitragerecht op 1 januari 2015. [1] In deze conclusie wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar de bepalingen van het oude arbitragerecht.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [2] FKP is een Russische staatsonderneming die zich onder meer bezighoudt met de exploitatie van merken met betrekking tot Russische wodka.
2.2
HVY zijn drie voormalige aandeelhouders van de in staat van faillissement verklaarde Russische onderneming Yukos Oil Company. Op 7 mei 2020 hebben HVY ten laste van de Russische Federatie en ten laste van en onder FKP executoriaal beslag gelegd op:
‘de Benelux merkenrechten toekomend aan de Russische Federatie maar die door [FKP] worden gehouden, dan wel op naam van [FKP] zijn geregistreerd waaronder (…).’
De daarna volgende opsomming vermeldt diverse op naam van FKP voor klasse 32 en/of 33 (onder meer voor wodka en/of andere dranken) geregistreerde Benelux-woord- en woord-/beeldmerken en woord- en woord-/beeldmerken met een internationaal inschrijvingsnummer voor zover de Benelux wordt aangewezen (hierna ook: de merken).
2.3
Het beslag is voorts gelegd op:
‘alle aan de Russische Federatie toekomende rechten onder de Auteurswet 1912 die
betrekking hebben op enige van de beeldelementen van enige van de voornoemde Merken
(...) en alle rechten onder de Auteurswet 1912 op de vormgeving van de producten die onder
de Merken zijn geproduceerd en verkocht door of met toestemming van [FKP] en/of de Russische Federatie.’
2.4
De beslagen merk- en auteursrechten worden hierna gezamenlijk aangeduid als de (beslagen) ‘IE-rechten’.
2.5
Het proces-verbaal van beslaglegging bevat onder meer de volgende aanzegging:
‘dat executanten zich op het standpunt stellen dat de hierbij in beslag genomen rechten toekomen aan de Russische Federatie (...) en dat [FKP] - voor zover zij houder is van die rechten - enkel de beheerder is van zulk staatseigendom ten behoeve van de Russische Federatie. Niettegenstaande dit standpunt is/zal, opdat wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen ter bescherming van de eventuele rechten van “derden”, dit beslag tevens aangezegd/betekend aan [FKP].’
2.6
Het executoriaal beslag strekt tot tenuitvoerlegging van drie arbitrale beslissingen van 18 juli 2014, waarbij de Russische Federatie is veroordeeld aanzienlijke bedragen aan HVY te betalen (hierna: de arbitrale beslissingen). De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft op 28 april 2020 verlof tot tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen verleend, [3] dat op 4 mei 2020 aan de Russische Federatie is betekend, met het verzoek aan de arbitrale beslissingen te voldoen.
2.7
De Russische Federatie heeft HVY op 10 november 2014 gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en de vernietiging van de arbitrale beslissingen gevorderd. Bij vonnis van 20 april 2016 [4] heeft de rechtbank deze vorderingen toegewezen. HVY zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof Den Haag heeft bij eindarrest van 18 februari 2020 [5] het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen.
2.8
De Russische Federatie heeft cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest en het tussenarrest van 25 september 2018 [6] . Bij arrest van 5 november 2021 [7] heeft de Hoge Raad beide arresten vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
2.9
Een deel van de merken is in de jaren zeventig van de vorige eeuw gedeponeerd door een staatsonderneming van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken, genaamd VO Sojuzplodoimport en, na wijziging van de rechtsvorm in een VVO in 1990, door VVO Sojuzplodoimport (hierna: VO/VVO). De andere merken zijn gedeponeerd door FKP. In 2006 waren de oorspronkelijk door VO/VVO gedeponeerde merken geregistreerd op naam van Spirits International N.V. (hierna: Spirits). In Nederland is van 2006 tot en met 2020 geprocedeerd tussen FKP en Spirits over de vraag wie rechthebbende op die merken is. In deze procedure betwistte Spirits de vorderingsgerechtigdheid van FKP. FKP stelde dat de Russische staat de merkenrechten in 2002 heeft ondergebracht bij FKP en FKP bevoegd was op eigen naam procedures te starten om deze merken op te vorderen. Uiteindelijk is Spirits veroordeeld om de door de VO/VVO gedeponeerde merken op naam te stellen van FKP. Deze merken zijn sinds 7 juli 2015 geregistreerd op naam van FKP. Over de relatie tussen FKP en de Russische staat heeft het hof Den Haag in voormelde procedure in zijn tussenarrest van 24 juli 2012 [8] geoordeeld:
‘7.16 Bij dit alles merkt het hof op dat het hier in feite ging om een reallocatie van (het beheer over) staatseigendommen van de Russische Federatie. (…)
7.19
Voor zover Spirits ook de vraag aan de orde heeft willen stellen voor wie FKP in de onderhavige procedure optreedt, overweegt het hof als volgt. FKP's stellingen komen er op neer dat de VO-merkrechten altijd staatseigendom zijn gebleven (...) en dat het beheer van deze staatseigendom toekwam aan opeenvolgende staatsondernemingen (VO, VVO, FGUP en thans FKP) (...) Kortom, de VO-merkrechten zijn staatseigendom van de Russische Federatie, welke staatseigendom wordt beheerd door FKP (...).’
2.1
Tussen de Russische Federatie en FKP is op 15 mei 2015 een overeenkomst gesloten (hierna: de 2015-overeenkomst) waarin is vermeld dat rechten op (onder meer) de merken voor zover nodig zijn overgedragen aan FKP.
2.11
FKP heeft HVY en de Russische Federatie gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag en primair opheffing van het beslag en subsidiair schorsing van de executie van het beslag gevorderd. De Russische Federatie heeft de vorderingen van FKP onderschreven.
2.12
Bij vonnis van 27 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter het beslag op de merken opgeheven, omdat – kort gezegd – het afgescheiden vermogen van FKP geen verhaal biedt voor de vorderingen van HVY op de Russische Federatie.
2.13
HVY zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij het thans in cassatie bestreden arrest van 28 juni 2022 heeft het hof het vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het beslag opgeheven voor zover dat is gelegd (i) ten laste van en onder FKP en (ii) op de auteursrechten op de vormgeving van de producten die onder de merken zijn geproduceerd en verkocht door of met toestemming van FKP en/of de Russische Federatie. Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof daartoe het volgende overwogen.
2.14
FKP en de Russische Federatie hebben betoogd dat met de vernietiging door de Hoge Raad van de arresten van het hof Den Haag van 25 september 2018 en 18 februari 2020 het dictum van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016, waarin de arbitrale beslissingen waren vernietigd, is herleefd, zodat HVY vooralsnog niet bevoegd zijn de arbitrale beslissingen ten uitvoer te leggen en de verkregen exequaturs op de voet van art. 1062 lid 4 Rv Pro zijn vervallen (rov. 5.4). Het hof heeft dit betoog als volgt verworpen:
‘5.5 (…) In de vernietigingsprocedure heeft de rechtbank Den Haag de arbitrale beslissingen vernietigd op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (art. 1065 lid 1 sub Pro a (oud) Rv). In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat op dat punt geen vernietigingsgrond voorlag en de daartegen gerichte cassatieklachten zijn door de Hoge Raad verworpen. In het arrest van 5 november 2021 heeft de Hoge Raad uitsluitend middelonderdeel 1 gegrond bevonden. Volgens dat middelonderdeel had het hof de stelling, dat de arbitrale beslissingen in strijd zijn met de openbare orde (art. 1065 lid 1 sub Pro d (oud) Rv) omdat HVY in de arbitrageprocedures frauduleus zouden hebben gehandeld, niet op formele gronden mogen verwerpen. Na cassatie en verwijzing ligt uitsluitend nog deze stelling in de vernietigingsprocedure, die nu voor het hof Amsterdam wordt gevoerd, voor. Over de gegrondheid daarvan heeft zich nog geen vernietigingsrechter uitgesproken. Sprake is derhalve van een lopende vernietigingsprocedure, waarvoor het uitgangspunt geldt dat deze de tenuitvoerlegging niet schorst (art. 1066 lid 1 Rv Pro). Ook verval van rechtswege van het verlof tot tenuitvoerlegging wegens vernietiging van het arbitraal vonnis als bedoeld in art. 1064 lid 4 Rv Pro is in deze situatie niet aan de orde.’ [9]
2.15
Vervolgens is het hof ingegaan op de vraag of de beslagen IE-rechten zich in het vermogen van de Russische Federatie bevinden. Die vraag wordt beheerst door Nederlands recht (rov. 5.9). Het in Nederland gelegde executoriaal verhaalsbeslag op aan de Russische Federatie toebehorende goederen is gelegd naar Nederlands (goederen)recht. De buitenlandse rechtsverhouding moet zo nodig worden aangepast aan (geassimileerd met) een vergelijkbare rechtsverhouding in het Nederlandse recht. Daarbij moet worden beoordeeld of, met het oog op de toepassing van art. 3:276 BW Pro, de vermogensrechtelijke positie van de Russische Federatie ten aanzien van de beslagen IE-rechten naar inhoud en strekking gelijk te stellen is met die van (volledig) rechthebbende naar Nederlands recht (rov. 5.10). Het hof heeft in rov. 5.11 t/m 5.13 eerst de verschillende kenmerken vastgesteld die betrekking hebben op de verhouding tussen de Russische Federatie en FKP. Vervolgens is het hof tot de slotsom gekomen dat FKP de merken- en auteursrechten niet als (volledig) rechthebbende exploiteert en deze rechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden (rov. 5.14 t/m 5.19). Deze overwegingen luiden als volgt:
‘5.11 Vast staat dat FKP een van vele zogeheten Federal Treasury Enterprises (FTE’s) in de Russische Federatie is. Het gaat daarbij om een door de Russische Federatie in het leven geroepen rechtspersoon. Deze rechtsfiguur vindt zijn oorsprong in de Sovjet traditie ten aanzien van staatseigendom. FTE’s houden aan hen toegewezen staatseigendom in zogeheten ‘operationeel beheer’. FKP is een ‘legal entity’ in de zin van art. 48 Russisch Pro Burgerlijk Wetboek (hierna: RBW) met een eigen afgescheiden vermogen. Het hof verwijst verder naar de in het vonnis van de voorzieningenrechter onder 4.10.1 tot en met 4.10.9 weergegeven kenmerken van een FTE.
5.12
De Russische Federatie en FKP hebben op 15 mei 2015 de 2015-overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst luidt onder meer als volgt:
“(...) Whereas (...) Party 1 (Russische Federatie, hof
) was instructed to enter with Party 2 (FKP, hof
) into an agreement on transfer (alienation) of exclusive rights to the trademarks (...)
1. “Party 1” transfers its entire exclusive and other rights to the assigned property to the extent such assigned property would not already lie with “Party 2” and “Party 2” accepts this property, which includes:
1.1.
all rights to the trademarks originally registered in the name of the All-Union Association (...) including but not limited to (...) Benelux, as well as international registrations of the trademarks (...) 1.3 all other intellectual property rights relating to the Trademarks held by “Party 1”, including but not limited to copyrights (...)
2. The parties confirm that since its incorporation, “Party 2” had the rights to (i) use and dispose of the Assigned Property, (ii) register the Trademarks in its own name and (iii) bring suit to claim back any Assigned Property, cease infringements on the Assigned Property, recover for damages and compensation for infringement of the rights to the Assigned Property (...)”.
5.13
De rechtsverhouding tussen de Russische Federatie en FKP wordt verder bepaald door de statuten van FKP, laatstelijk gewijzigd in 2019 (hierna: de 2019-statuten).
Art. 14 van Pro de statuten luidt:
The property of the Enterprise is in federal ownership and is held by the Enterprise under the right of operative administration. The property complex of the Enterprise includes all types of property intended for its activities, as well as the rights to designations that individualise the Enterprise, its products, work, services (commercial designation, trademarks, service marks), and other exclusive rights. The Enterprise holds exclusive rights to the results of intellectual activity and means of individualization equated with them, for which the Enterprise is registered as a right holder. (...)Daarnaast heeft FKP op grond van art. 24 aanhef Pro en sub l van de 2019-statuten het recht om
"with the approval of the Government of the Russian Federation to enter into transactions for the alienation of the exclusive rights to the results of intellectual activity and means of individualisation, including trademarks held by the Enterprise”.
5.14
FKP en de Russische Federatie hebben niet (voldoende concreet en onderbouwd) gesteld dat de omstandigheid dat de gestelde overdracht in 2015 plaats vond en de huidige statuten pas nadien in 2019 zijn vastgesteld in (dit) goederenrechtelijk opzicht van belang is (in die zin dat de 2015-overeenkomst los van de statuten zou moeten worden beoordeeld). De beoordeling of naar Nederlands (goederen)recht de positie van de Russische Federatie en FKP kunnen worden gelijkgesteld met die van vervreemder respectievelijk rechtverkrijgende krachtens overdracht, vindt daarom plaats met inachtneming van het samenstel van beide regelingen.
5.15
De bewoordingen van de 2015-overeenkomst (
alienation, transfer, entire exclusive rights, assigned property, all rights to the trademarks”) wijzen op zichzelf beschouwd op een algehele overdracht van de IE-rechten. FKP heeft voorts het volle gebruiks- en genotsrecht over deze rechten en kan deze rechten tegenover eenieder handhaven. Daartegenover staat evenwel dat, naar tussen partijen vast staat, de Russische Federatie op grond van de genoemde statutaire bepalingen het recht heeft om het ‘property complex’ van FKP (waaronder alle lE-rechten) als geheel op te pakken en te verkopen aan (bijvoorbeeld) een nieuw opgerichte FTE en tevens het recht heeft om door FKP zonder toestemming van de Russische Federatie met derden gesloten transacties over de vervreemding van (IE-)rechten in rechte (met derdenwerking) te vernietigen. Deze bevoegdheden had de Russische Federatie ook onder de (eerdere) situatie van operationeel beheer.
5.16
Deze laatstgenoemde bevoegdheden van de Russische Federatie staan er naar het oordeel van het hof aan in de weg om de rechtspositie van FKP in haar verhouding tot de Russische Federatie naar Nederlands (goederen)recht met die van (volledig) rechthebbende op de merken- en auteursrechten gelijk te stellen. Het gaat om vergaande beperkingen van de beschikkingsbevoegdheid van FKP met derdenwerking. In het geval de Russische Federatie gebruik maakt van haar rechten ten aanzien van het ‘property complex’ verliest FKP haar bevoegdheid om de merken- en auteursrechten te exploiteren. Naar Nederlands goederenrecht is een overdracht waarbij de vervreemder zich dergelijke goederenrechtelijke bevoegdheden voorbehoudt, niet mogelijk. Een daartoe strekkende overeenkomst kan geen geldige overdrachtstitel zijn. Dit betekent dat de 2015-overeenkomst naar Nederlands (goederen)recht geen rechtsovergang tot gevolg heeft gehad en FKP op grond van die overeenkomst geen rechthebbende is geworden. Dat FKP geen (volledige) rechthebbende in goederenrechtelijke zin is/was geldt ook voor de situatie voor de 2015-overeenkomst (van operationeel beheer) daar in die situatie dezelfde beperkingen golden. Beoordeeld naar Nederlands goederen- en beslagrecht moet het er daarom in dit kort geding voor worden gehouden dat de rechten zich in het voor verhaal van de onderhavige vorderingen vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden en FKP deze rechten niet in hoedanigheid van (volledig) rechthebbende exploiteert.
5.17
Voor zover FKP zich als bezitter van de merkenrechten op het vermoeden van art. 3:119 lid 2 BW Pro zou kunnen beroepen – hetgeen tussen partijen in geschil is – volgt uit het voorgaande dat in dit kort geding het tegendeel voldoende aannemelijk is geworden.
5.18
Uit het voorgaande volgt dat er geen overdracht van auteursrechten heeft plaatsgevonden en FKP ook in zoverre niet als (volledige) rechthebbende op de (eventuele) auteursrechten kan worden aangemerkt in de situatie na en voor de 2015-overeenkomst. Op artikel 4 Aw Pro kan FKP zich niet beroepen, omdat zij, als rechtspersoon geen maker kan zijn (een rechtspersoon heeft geen persoonlijkheid die hij door het maken van creatieve keuzes kan uitdrukken) en evenmin op artikel 8 Aw Pro, aangezien dat artikel alleen de verhouding regelt tussen de openbaarmakende rechtspersoon – die eventueel als maker kan worden ‘aangemerkt’ – en de natuurlijke persoon/maker, maar niet de relatie tussen twee rechtspersonen die het auteursrecht claimen. Voor zover FKP zich – als degene die de werken openbaar zou hebben gemaakt, bijvoorbeeld met de merkinschrijvingen – niettemin op het vermoeden van artikel 4 en Pro/of 8 Aw zouden [lees: zou, A-G] kunnen beroepen, dan is dit vermoeden in het licht van het in rechtsoverwegingen 5.15 en 6.16 [lees: 5.16, A-G] weerlegd te achten.
5.19
De conclusie is dat, beoordeeld naar Nederlands goederen- en beslagrecht, FKP de merken- en auteursrechten niet als (volledig) rechthebbende exploiteert (en heeft gedeponeerd wat betreft de Merken) en deze rechten zich in het voor verhaal vatbaar vermogen van de Russische Federatie bevinden.’
2.16
Het hof heeft geoordeeld dat de vordering tot opheffing van het beslag toewijsbaar is voor zover het is gelegd ten laste van en onder FKP, omdat de IE-rechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden, vaststaat dat FKP geen schuldenaar is voor vorderingen waarvoor het beslag is gelegd en ook overigens niet (voldoende) is gesteld of gebleken dat (rechtsgeldig) derdenbeslag is gelegd (rov. 5.22). De vordering tot opheffing van het ten laste van de Russische Federatie gelegde beslag is niet toewijsbaar, behoudens voor zover het is gelegd op de auteursrechten op de vormgeving van de producten die onder de merken zijn geproduceerd en verkocht door of met toestemming van FKP en/of de Russische Federatie (rov. 5.39). Het verzoek van FKP het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, heeft het hof afgewezen (rov. 5.40).
2.17
FKP heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. HVY hebben geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. FKP heeft geconcludeerd tot verwerping daarvan. FKP en HVY hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, gevolgd door re- en dupliek.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bestaat uit drie onderdelen (genummerd A t/m C).
3.2
Onderdeel Ais gericht tegen rov. 5.5, waarin het hof ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, heeft verworpen het betoog van FKP en de Russische Federatie dat – kort gezegd – HVY vooralsnog niet bevoegd zijn om de arbitrale beslissingen ten uitvoer te leggen. Het onderdeel betoogt (
onder 3) dat ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest geen sprake (meer) was van een lopende vernietigingsprocedure in de zin van art. 1066 lid 1 Rv Pro, omdat in de vernietigingsprocedure de Hoge Raad de arresten van het hof Den Haag van 25 september 2018 en 18 februari 2020 heeft vernietigd. Als gevolg van die vernietiging geldt het vonnis van de rechtbank van 20 april 2016 als ‘vernietigingsuitspraak’ in de zin van art. 1064 Rv Pro en zijn daarmee de exequaturs voor de arbitrale beslissingen vervallen op de voet van art. 1062 lid 4 Rv Pro, aldus het onderdeel.
3.3
Bij de behandeling van dit onderdeel stel ik het volgende voorop. De tenuitvoerlegging in Nederland van een arbitraal vonnis kan eerst plaatsvinden nadat de voorzieningenrechter verlof (‘exequatur’) heeft verleend (art. 1062 lid 1 Rv Pro). Bij verlofverlening staan voor de wederpartij slechts de rechtsmiddelen van vernietiging en herroeping (van het arbitraal vonnis) open (art. 1062 lid Pro 4, eerste volzin, Rv). De vordering tot vernietiging schorst de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis niet (art. 1066 lid 1 Rv Pro). De rechter die omtrent de vernietiging oordeelt kan echter, indien daartoe gronden zijn, op verzoek van de meest gerede partij de tenuitvoerlegging schorsen totdat over de vordering tot vernietiging onherroepelijk is beslist (art. 1066 lid 2 Rv Pro). Kennelijk anders dan een schorsing in hoger beroep van de tenuitvoerlegging van een vonnis (art. 351 Rv Pro) of beschikking (art. 360 lid 2 Rv Pro) [10] , duurt een schorsing op de voet van art. 1066 lid 2 Rv Pro dus voort totdat de uitspraak in de vernietigingsprocedure in kracht van gewijsde is gegaan. Indien in de vernietigingsprocedure de rechter in de voorgaande instantie reeds een oordeel heeft gegeven over de vordering tot vernietiging, dient de rechter die beslist op het schorsingsverzoek met dat oordeel rekening te houden. [11]
3.4
Een arbitraal vonnis dat is vernietigd komt geen rechtskracht toe. [12] De vernietiging van een arbitraal vonnis brengt van rechtswege die van het verlof tot tenuitvoerlegging mee (art. 1062 lid Pro 4, tweede volzin, Rv).
3.5
De vernietiging van een uitspraak van de civiele rechter heeft directe werking en terugwerkende kracht. [13] Een uitspraak in eerste aanleg die in hoger beroep is vernietigd, moet worden geacht haar werking te hebben verloren, zolang de uitspraak in hoger beroep zelf niet is vernietigd. [14] Indien de uitspraak in hoger beroep op haar beurt in cassatie wordt vernietigd, wordt in de literatuur aangenomen dat de uitspraak in eerste aanleg alleen herleeft indien de Hoge Raad die uitspraak heeft bekrachtigd. [15] De partiële werking van het cassatieberoep brengt immers mee dat beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, bindend zijn, ook als de uitspraak wegens de gegrondbevinding van (andere) klachten wordt vernietigd. [16] Uit de enkele omstandigheid dat in het dictum van het arrest of de beschikking van de Hoge Raad de vernietiging niet (uitdrukkelijk) aan enige beperking is onderworpen, mag niet worden afgeleid dat al hetgeen de bestreden uitspraak inhield, is vernietigd. Na verwijzing zal de rechter aan de hand van de strekking van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist, moeten beoordelen welke onderdelen van de gecasseerde uitspraak niet of tevergeefs zijn bestreden en derhalve onaantastbaar zijn geworden. [17] De vernietiging door de Hoge Raad van een uitspraak treft niet alleen de in die uitspraak voorkomende beslissingen die in cassatie met succes zijn bestreden, maar brengt ook mee dat alle beslissingen die daarop voortbouwen of daarmee onverbrekelijk samenhangen, hun kracht verliezen omdat daaraan de grondslag is ontvallen. [18]
3.6
Het onderdeel betoogt in de kern dat met de vernietiging door de Hoge Raad van de arresten van het hof van 25 september 2018 en 18 februari 2020 het dictum van het vonnis van de rechtbank van 20 april 2016 is herleefd en daarmee de daarin uitgesproken vernietiging van de arbitrale beslissingen. Dat betoog gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting over de partiële werking van het cassatieberoep. Uit rov. 5.1.3-5.1.19 van het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 volgt dat de vernietiging van de arresten van het hof uitsluitend is gebaseerd op het slagen van de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Russische Federatie haar stellingen met betrekking tot fraude alleen in een herroepingsprocedure aan de orde kon stellen en niet ten grondslag kon leggen aan haar vernietigingsvordering. De overige klachten konden niet tot cassatie leiden (rov. 7.1). De partiële werking van het cassatieberoep brengt dan mee dat de door de Hoge Raad uitgesproken vernietiging beperkt is tot het oordeel van het hof dat in cassatie met succes is bestreden. Dat een dergelijke beperking niet uit het dictum zelf volgt, doet daaraan niet af. De overige oordelen van het hof zijn onaantastbaar geworden. Dat geldt dus ook voor het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht bevoegd was om van de vorderingen van HVY kennis te nemen en daarop te beslissen, zodat het oordeel van de rechtbank dat geen geldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen en de arbitrale beslissingen om die reden moeten worden vernietigd, niet in stand kan blijven. [19] Niet kan worden gezegd dat het oordeel van het hof voortbouwt op of onverbrekelijk samenhangt met het oordeel van het hof dat de Russische Federatie haar stellingen met betrekking tot fraude alleen in een herroepingsprocedure aan de orde kon stellen. Het oordeel van de rechtbank dat geen geldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen, is derhalve niet herleefd, zodat ook de daarop gegronde vernietiging in het dictum van het vonnis niet is herleefd.
3.7
Anders dan het onderdeel betoogt, is dan ook geen sprake van een ‘vernietigingsuitspraak’ die schorsing van de tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen dan wel verval van het verlof daartoe zou meebrengen. In deze zaak staat vast dat op de vernietigingsvordering van de Russische Federatie nog niet onherroepelijk is beslist, zodat sprake is van een lopende vernietigingsprocedure. In deze vernietigingsprocedure is op het moment dat ik deze conclusie neem, nog geen uitspraak gedaan. [20] Van herleving van het vonnis van de rechtbank en de daarin uitgesproken vernietiging van de arbitrale beslissingen is, zoals gezegd, geen sprake. Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen niet is geschorst en ook verval van het verlof tot tenuitvoerlegging op de voet van art. 1062 lid 4 Rv Pro niet aan de orde is. Ook anderszins geeft het oordeel van het hof in rov. 5.5 geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Onderdeel A faalt dus.
3.8
Onderdeel Bbevat drie klachten en is gericht tegen rov. 5.15 en 5.16, waarin het hof heeft gemotiveerd het oordeel dat naar Nederlands goederen- en beslagrecht het ervoor moet worden gehouden dat de IE-rechten zich in het vermogen van de Russische Federatie bevinden en FKP deze rechten niet in de hoedanigheid van (volledig) rechthebbende exploiteert.
3.9
Bij de behandeling van het onderdeel stel ik het volgende voorop. Het hof heeft in rov. 5.11 t/m 5.13 de (kenmerken van de) verhouding tussen de Russische Federatie en FKP geduid aan de hand van Russisch recht. Vervolgens heeft het hof beoordeeld of naar Nederlands (goederen)recht de posities van de Russische Federatie en FKP kunnen worden gelijkgesteld met die van vervreemder respectievelijk rechtverkrijgende krachtens overdracht (rov. 5.14, laatste volzin). De beantwoording van die vraag berust (mede) op een uitleg van Russisch recht (rov. 5.15-5.16). Rechtsklachten tegen de uitleg van buitenlands recht stuiten af op het bepaalde in art. 79 lid Pro 1, aanhef en onder b, RO. Motiveringsklachten over de uitleg en toepassing van buitenlands recht kunnen slechts worden beoordeeld voor zover dit mogelijk is zonder daarbij de juistheid van de oordelen van de feitenrechter over de inhoud en uitleg van dat recht te betrekken. [21]
3.1
Het onderdeel (
onder 4) klaagt dat het hof in rov. 5.15 ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, heeft geoordeeld dat tussen partijen vaststaat dat – kort gezegd – de Russische Federatie op grond van de 2019-statuten bepaalde bevoegdheden toekomt ten aanzien van de IE-rechten.
3.11
Het hof heeft in rov. 5.15 geoordeeld dat, naar tussen partijen vaststaat, de Russische Federatie op grond van art. 14 en Pro art. 24, aanhef en onder (l), van de 2019-statuten (‘de genoemde statutaire bepalingen’ in rov. 5.13) het recht heeft om het ‘property complex’ van FKP (waaronder alle IE-rechten) als geheel op te pakken en te verkopen aan (bijvoorbeeld) een nieuw opgerichte FTE en tevens het recht heeft om door FKP zonder toestemming van de Russische Federatie met derden gesloten transacties over de vervreemding van (IE-)rechten in rechte (met derdenwerking) te vernietigen. Het zijn deze bevoegdheden die volgens het hof eraan in de weg staan om de rechtspositie van FKP in haar verhouding tot de Russische Federatie naar Nederlands recht met die van (volledig) rechthebbende gelijk te stellen (rov. 5.16). Het oordeel van het hof dat tussen partijen vaststaat dat de Russische Federatie dergelijke bevoegdheden heeft, kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst, aangezien de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de feitenrechter. [22]
3.12
Gelet op de stellingen van partijen is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat tussen partijen vaststaat dat de Russische Federatie op grond van de 2019-statuten bepaalde bevoegdheden toekomt ten aanzien van de IE-rechten. Zo hebben HVY in de feitelijke instanties onder meer aangevoerd dat in de 2019-statuten wordt bevestigd dat FKP de IE-rechten alleen mag vervreemden en overdragen met toestemming van de Russische Federatie, dat de Russische Federatie een vernietigingsactie met derdenwerking toekomt indien een dergelijke rechtshandeling wordt verricht zonder haar toestemming, en dat de Russische Federatie de IE-rechten, als onderdeel van het ‘property complex’ van FKP, kan ‘oppakken’ en overdragen zonder toestemming van FKP. [23] In dit verband heeft FKP aangevoerd dat de Russische Federatie toestemming moet geven voor een vervreemding/overdracht en zelf het ‘property complex’ van FKP mag overdragen, maar dat die beperkingen gelden voor alle staatsondernemingen en niet eraan afdoen dat FKP rechthebbende is op de IE-rechten. [24] Verder heeft de Russische Federatie onder meer aangevoerd dat haar bevoegdheden zijn beperkt tot uitzonderlijke omstandigheden en niet wezenlijk verschillen van de controle die een enig aandeelhouder over een Nederlandse vennootschap kan uitoefenen. [25] Deze stellingen zien klaarblijkelijk (ook) op de situatie waarin geen sprake (meer) is van operationeel beheer. De slotsom is dan ook dat de klacht faalt.
3.13
Verder klaagt het onderdeel (
onder 5) dat onbegrijpelijk is de overweging dat de Russische Federatie voornoemde bevoegdheden ook had onder de (eerdere) situatie van operationeel beheer en dat voor de situatie vóór de 2015-overeenkomst (van operationeel beheer) ook geldt dat FKP geen (volledige) rechthebbende in goederenrechtelijke zin is/was. Betoogd wordt dat de beoordeling van het hof, blijkens rov. 5.14, (uitsluitend) is gebaseerd op de 2015-overeenkomst en de 2019-statuten.
3.14
Het hof heeft in rov. 5.14 – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat zijn beoordeling of naar Nederlands (goederen)recht de positie van de Russische Federatie en FKP kan worden gelijkgesteld met die van vervreemder respectievelijk rechtverkrijgende krachtens overdracht, plaatsvindt met inachtneming van het samenstel van de 2015-overeenkomst en de 2019-statuten. Op grond van deze regelingen is het hof vervolgens tot het oordeel gekomen dat de Russische Federatie bepaalde bevoegdheden heeft, die eraan in de weg staan om de rechtspositie van FKP in haar verhouding tot de Russische Federatie naar Nederlands (goederen)recht met die van (volledig) rechthebbende op de IE-rechten gelijk te stellen. De overwegingen van het hof dat de Russische Federatie die bevoegdheden ook had onder de (eerdere) situatie van operationeel beheer en dat om die reden geldt dat FKP in die situatie ook geen (volledig) rechthebbende is/was, zijn ten overvloede gegeven en niet dragend voor dat oordeel. De klacht faalt dan ook wegens een gebrek aan belang.
3.15
Tot slot klaagt het onderdeel (
onder 6) dat niet valt in te zien dat uit de situatie van operationeel beheer en/of het samenstel van de 2015-overeenkomst en de 2019-statuten volgt dat de in rov. 5.15 genoemde bevoegdheden van de Russische Federatie vergaande beperkingen van de beschikkingsbevoegdheid van FKP met derdenwerking inhouden. Daarom valt evenmin in te zien dat een en ander in de weg staat aan het gelijkstellen van de rechtspositie van FKP met die van (volledig) rechthebbende op de IE-rechten. Ook acht het onderdeel onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk, de oordelen van het hof in rov. 5.16 dat de 2015-overeenkomst geen rechtsovergang tot gevolg heeft gehad en FKP op grond van die overeenkomst geen rechthebbende is geworden, en dat het ervoor moet worden gehouden dat de IE-rechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden en FKP deze rechten niet in hoedanigheid van (volledig) rechthebbende exploiteert. Het voorgaande vitieert ook de oordelen van het hof in rov. 5.17 t/m 5.19, 5.22 en 5.39, aldus het onderdeel.
3.16
Voor zover de klacht voortbouwt op de voorgaande klachten van onderdeel B, faalt de klacht om dezelfde redenen. Het oordeel van het hof dat de Russische Federatie op grond van de 2019-statuten bepaalde bevoegdheden ten aanzien van de IE-rechten toekomt, vergt bovendien een oordeel over de inhoud van Russisch recht, dat in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. In het licht van die bevoegdheden, die – zoals vastgesteld door het hof – vergaande beperkingen inhouden van de beschikkingsbevoegdheid van FKP met derdenwerking en, indien uitgeoefend door de Russische Federatie, meebrengen dat FKP haar bevoegdheid verliest om de IE-rechten te exploiteren, is in ieder geval niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat die bevoegdheden eraan in de weg staan om de rechtspositie van FKP in haar verhouding tot de Russische Federatie naar Nederlands (goederen)recht met die van (volledig) rechthebbende op de IE-rechten gelijk te stellen. De klacht faalt dus.
3.17
Onderdeel Cis in het bijzonder gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.16 dat de 2015-overeenkomst naar Nederlands (goederen)recht geen rechtsovergang tot gevolg heeft gehad en FKP op grond van die overeenkomst geen rechthebbende is geworden. Het onderdeel geeft de overweging van het hof weer (
onder 7) en klaagt (
onder 8) dat het hof heeft miskend, althans er niet (voldoende) gemotiveerd aan voorbij is gegaan, dat de in rov. 5.15 omschreven bevoegdheden van de Russische Federatie uitsluitend zijn gebaseerd op Russisch recht en dus niet berusten op een overeenkomst in de zin van art. 3:84 lid 3 BW Pro. Verder betoogt het onderdeel (
onder 10) dat niet kan worden gezegd dat de 2015-overeenkomst de strekking als bedoeld in art. 3:84 lid 3 BW Pro mist om de IE-rechten na overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, mede in het licht van de rechtsverhouding tussen FKP en de Russische Federatie naar Russisch recht (zoals uiteengezet
onder 9). Uit oogpunt van rechtvaardigheid en doelmatigheid is er onvoldoende door art. 3:84 lid 3 BW Pro beschermd belang dat zich verzet tegen gelijkstelling van de 2015-overeenkomst met een geldige titel in de zin van art. 3:84 lid 1 BW Pro, aldus het onderdeel.
3.18
De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zoals hiervoor – in het kader van onderdeel B – reeds aan de orde kwam, heeft het hof in rov. 5.15 vastgesteld dat de Russische Federatie op grond van de 2019-statuten bepaalde bevoegdheden ten aanzien van de IE-rechten toekomt. In rov. 5.16, eerste volzin, heeft het hof geoordeeld dat die bevoegdheden eraan in de weg staan om de rechtspositie van FKP in haar verhouding tot de Russische Federatie naar Nederlands (goederen)recht met die van (volledig) rechthebbende op de IE-rechten gelijk te stellen. Het hof heeft dat oordeel toegelicht door erop te wijzen dat het gaat om vergaande beperkingen van de beschikkingsbevoegdheid van FKP met derdenwerking en dat FKP haar bevoegdheid verliest om de IE-rechten te exploiteren in het geval dat de Russische Federatie gebruikmaakt van haar rechten ten aanzien van het ‘property complex’. Deze overwegingen zijn zelfstandig dragend voor het oordeel van het hof in rov. 5.16, laatste volzin, dat de IE-rechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden en FKP deze rechten niet in hoedanigheid van (volledig) rechthebbende exploiteert. Het ontbreekt FKP dan ook aan belang bij haar klachten over het oordeel van het hof dat de 2015-overeenkomst naar Nederlands (goederen)recht geen rechtsovergang tot gevolg heeft gehad en FKP op grond van die overeenkomst geen rechthebbende is geworden. De klachten stuiten hierop af.
3.19
De veegklacht (
onder 11) faalt in het voetspoor van de voorafgaande klachten.
3.2
De slotsom is dat het principaal cassatieberoep faalt.
3.21
Het incidenteel cassatieberoep van HVY is ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal cassatieberoep slaagt en tot vernietiging van het bestreden arrest leidt. Nu geen van de klachten van het principaal cassatieberoep slaagt, is de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld, niet vervuld. Het incidentele cassatiemiddel behoeft daarom geen bespreking.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Art. IV lid 4 jo. lid 2 van de Wet modernisering Arbitragerecht (Stb. 2014/200) bepaalt dat deze wet niet van toepassing is op arbitrale procedures die vóór de inwerkingtreding ervan – op 1 januari 2015 – aanhangig zijn gemaakt en op zaken die bij de rechter aanhangig zijn gemaakt indien en voorzover het dergelijke arbitrale procedures betreft. In de onderhavige zaak zijn de arbitrale procedures en de vernietigingsprocedure vóór deze datum aanhangig gemaakt.
2.Zie rov. 3.1 t/m 3.9 van het bestreden arrest van het hof Den Haag van 28 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1159, JBPr 2022/77, m.nt. M.C. van Leyenhorst, onder verwijzing naar rov. 2.1 t/m 2.15 van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10708.
3.Deze uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
5.ECLI:NL:GHDHA:2020:234, JOR 2020/164, m.nt. N. Peters.
6.ECLI:NL:GHDHA:2018:2476, JBPr 2019/9, m.nt. C.L. Schleijpen.
7.ECLI:NL:HR:2021:1645, NJ 2022/102, m.nt. A.I.M. van Mierlo, C.M.J. Ryngaert.
8.ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1515. In cassatie zijn de klachten tegen (onder meer) deze overwegingen verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro, zie HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2071, NJ 2014/386, m.nt. Ch. Gielen, rov. 3.5. Zie voor het vervolg van deze procedure: HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:112, NJ 2020/59.
9.Abusievelijk heeft het hof verwezen naar art. 1065 lid Pro 1, onder d, Rv en art. 1064 lid 4 Rv Pro, waar kennelijk bedoeld is te verwijzen naar art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv resp. art. 1062 lid 4 Rv Pro.
10.Vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/425, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 5.6.4.
11.Zie HR 4 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1952, NJ 2022/101, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.3.2.
12.Zie G.J. Meijer, Overeenkomst tot arbitrage, 2011, par. 11.6.6 (p. 949); A.J. van den Berg, R. van Delden & H.J. Snijders, Arbitragerecht, 1992, p. 136.
13.Zie HR 27 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6573, NJ 1980/169, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 26 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2438, NJ 1998/419, m.nt. P.A. Stein, rov. 3.3. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/7; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 264.
14.Zie HR 28 september 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4866, NJ 1985/83, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 14 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0084, NJ 1991/307.
15.Zie I.M.A. Lintel, ‘Vernietiging door de Hoge Raad: gevolgen van de vernietiging bij verwijzing’, TCR 2019/1, p. 40; A.A. van Rossum, Aansprakelijkheid voor de tenuitvoerlegging van vernietigde of terzijde gestelde rechterlijke beslissingen, 1990, p. 82-83; C.J.J.C. van Nispen, ‘Het effect van een latere uitspraak op een rechterlijk verbod of bevel’, BIE 6/7 1985, p. 228; NJ-noot van W.H. Heemskerk onder HR 28 september 1984, reeds aangehaald.
16.Zie W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, par. 6.4.5 en 9.2; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/296-297 en 331; N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/388; B. Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, 1992, p. 104, onder verwijzing naar HR 16 maart 1927, ECLI:NL:HR:1927:246, NJ 1927/528.
17.Zie HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7229, NJ 1998/237, m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.1.
18.Zie HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728, NJ 2019/127, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.3.2, onder verwijzing naar HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2739, rov. 3.6.2; HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:207, NJ 2019/387, m.nt. C.J.M. Klaassen, rov. 5.2.2; HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8463, NJ 2004/2, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.3. Zie ook Dempsey & Van der Voort Maarschalk, a.w., 2019/393.
19.Zie rov. 4.9, 5.3 en 10.1 van het arrest van het hof van 18 februari 2020.
20.Zaaknummer bij het hof Amsterdam is 200.303.103/01. Volgens door mij ambtshalve ingewonnen inlichtingen bij de griffie van het hof staat de zaak voor akte door partijen en is de mondelinge behandeling bepaald op 21 november 2023.
21.Zie HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9228, NJ 2015/376, m.nt. N.J. Schrijver, rov. 3.15.5; HR 5 november 2021, reeds aangehaald, rov. 5.2.18 en meest recentelijk: HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:865, rov. 3.1.2.
22.Zie A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/68.
23.Zie par. V.2.9 van de CvA HVY, par. III.6 van pleitnota HVY in eerste aanleg en par. III.7.2 van de MvG HVY.
24.Zie over de toestemmingsbepaling: nr. 85 van de pleitnota FKP in eerste aanleg en nr. 130 van de MvA FKP; en voor de bevoegdheid het ‘property complex’ over te dragen: nr. 88 van de pleitnota FKP in eerste aanleg en nr. 131 van de MvA FKP en nr. 34 van de pleitnota FKP in hoger beroep.
25.Zie nr. 27, 35-36 van de MvA RF.