ECLI:NL:HR:2024:205

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
22/02369
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 69.2 AWR
Verwijzingen
4 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting, meermalen gepleegd. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder de vraag of het hof bij strafoplegging rekening mocht houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan de verdachte ten laste waren gelegd en of de redelijke termijn in eerste aanleg juist was vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat de eerste klachten niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde straf. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de strafmaat betrof en verminderde de gevangenisstraf tot negen maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot negen maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02369
Datum13 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 juni 2022, nummer 20-001607-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 februari 2024.