3.2Het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 13 juli 2022 houdt onder meer het volgende in:
“Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
U vraagt mij of ik, buiten de tenlastegelegde 5 aangiften omzetbelasting in de periode 2012-2016, nog betrokken ben geweest bij andere aangiften omzetbelasting namens de [stichting] . Ik herinner me niet alles wat vóór die tijd is gebeurd. Ik herinner me alleen dat er in 2016 een fout is gemaakt met één factuur. Ik vraag om vergeving. Ik zal die fout niet meer maken. Van die jaren ervoor herinner ik me niet wat er is gebeurd met die aangiften. Bij 1 factuur in 2016 heb ik een fout gemaakt. Dat was mijn fout en ik vraag daarvoor excuses.
De voorzitter deelt het volgende mede.
De bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten staat vast. Ik begrijp uit de verklaring van verdachte dat hij weinig herinneringen heeft aan de periode 2005- 2016.
De oudste raadsheer deelt de verdachte het volgende mede.
In de tenlastelegging gaat het om de aangiften omzetbelasting over de vierde kwartalen van de jaren 2012, 2013, 2014, 2015 en het tweede kwartaal van 2016. De vraag van de voorzitter ging echter over de niet tenlastegelegde aangiften over de eerste drie kwartalen van genoemde jaren die het hof bij het vernietigde arrest als strafverzwarend had meegenomen.
Op vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
Hoe zit het dan met de aangiften over de jaren 2005 tot 2012? Ik herinner mij alleen dat bij de laatste BTW-aangifte van 2016 een fout is gemaakt.
De oudste raadsheer deelt de verdachte het volgende mede.
Mijn vragen hebben betrekking op de eerste drie kwartalen van de jaren 2012-2015.
In Nederland is het zo dat als je als bedrijf goederen verkoopt, je daarover BTW moet afdragen en datje daarvan de betaalde BTW mag aftrekken van de goederen die je koopt.
Als je meer BTW hebt betaald bij de inkoop dan datje moet afdragen, krijg je van de belastingdienst geld terug. Het hof heeft bij de vorige procedure vastgesteld dat de stichting van verdachte volgens de BTW-aangiften niets had verkocht, maar alleen had ingekocht en dus geld had teruggekregen in de tenlastegelegde kwartalen, maar ook vastgesteld dat in de overige kwartalen hetzelfde is gebeurd. Is dat volgens u ook het geval?
De verdachte verklaart daarop als volgt.
Ik heb vanaf het begin verklaard dat de administratie naar Rwanda in Afrika is gestuurd.
De oudste raadsheer deelt de verdachte mede dat hij op de vorige zittingen van het hof heeft bekend dat hij over de 5 onderhavige kwartalen opzettelijk valse BTW-aangiften heeft gedaanen vraagt hem of dat ook geldt dat voor de andere kwartalen van de jaren 2012- 2015.
De verdachte verklaart daarop als volgt.
Nee, het was alleen één factuur van 2016 die vals was. Ik heb de administratie niet meer. Ik heb ook de vorige keer uitsluitend bekend dat ik één valse factuur heb ingediend en dat is in 2016 geweest.
De voorzitter houdt verdachte vervolgens zijn eigen bekennende verklaring voor zoals opgenomen in het proces-verbaal terechtzitting van het hof van 28 augustus 2019en vraagt hem of het in de overige kwartalen van de tenlastegelegde jaren hetzelfde is gegaan bij het doen van de BTW-aangiften.
De verdachte verklaart daarop als volgt.
Nee, ik had wel facturen want ik had wel goederen gekocht.
Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de raadsman als volgt.
Het arrest van de Hoge Raad gaat erover dat het hof bij de strafoplegging aangiften had meegenomen die niet in de tenlastelegging stonden. De straf moet echter uitsluitend zien op hetgeen in de tenlastelegging is opgenomen. Bij de vorige zittingen van het hof is de periode 2005-2012 helemaal niet besproken. Het standpunt van de verdediging luidt dat we in het kader van de strafoplegging het uitsluitend moeten hebben over de tenlastegelegde feiten.
De raadsman stelt voor dat hij zijn cliënt vragen zal stellen over zijn persoonlijke omstandigheden, hetgeen de voorzitter toestaat.
De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt.
Er moet bij de strafoplegging worden gekeken naar het benadelingsbedrag. In dat kader zijn er volgens mij drie mogelijkheden:
1. We kijken uitsluitend naar de tenlastegelegde aangiften.
2. We kijken naar alle aangiften uit de gehele tenlastegelegde periode.
3. We kijken niet alleen naar alle aangiften uit de gehele tenlastegelegde periode, maar ook naar de aangiften voorafgaand aan de tenlastegelegde jaren.
Dat laatste heeft uw hof de vorige keer gedaan maar dat vond de Hoge Raad niet goed. Mijn standpunt luidt dat alle aangiften in de tenlastegelegde periode kunnen worden meegewogen bij de straf. Ik ga daarom uit van een benadelingsbedrag van 148.000 euro. De Hoge Raad heeft in eerdere jurisprudentie bepaald dat bij de strafoplegging rekening mag worden gehouden met feiten die niet zijn tenlastegelegd, bijvoorbeeld in het geval van ad informandum feiten. Bij grootschalige fraude kan dat indien de relevante omstandigheden bij die overige feiten hetzelfde zijn als bij de tenlastegelegde feiten. Ik wijs op pagina 175 van het dossier waaruit blijkt dat er veel overeenstemming is in de omzetbedragen waarop de BTW-aangiften betrekking hebben. In de verschillende aangiften treffen we bijvoorbeeld het omzetbedrag aan van € 49.575,- maar het is volstrekt onaannemelijk dat de Stichting ieder kwartaal telkens precies dezelfde omzet zou hebben gehad.
Ondanks zijn eerdere bekentenis komt de verdachte hier toch weer met de verklaring dat hij slechts 1 foute factuur heeft ingediend. Dat is gewoon niet waar. Alle valse aangiften uit de tenlastelegging staan vast. De verdachte komt met geen enkel argument waarom de niet tenlastegelegde facturen wel in orde waren.
Daarom concludeer ik dat alle BTW-aangiften uit voormelde periode opzettelijk vals zijn opgemaakt en dat deze bij de strafoplegging kunnen worden meegenomen. Ik meen dat 9 maanden gevangenisstraf in beginsel een passende straf is, maar gelet op het tijdsverloop en de persoon van.de verdachte zal ik geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf vorderen. Bij een benadelingsbedrag van 148.000 euro past normaliter een gevangenisstraf van 9-12 maanden en daar komt bij dat de verdachte daarvan nog geen cent heeft terugbetaald. Ik houd er ook rekening mee dat de verdachte volgens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie geen nieuwe feiten heeft begaan en met zijn gezondheidstoestand.
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt.
We moeten erg ver terug in de tijd voor de tenlastegelegde feiten. De eerste zitting vond plaats in maart 2017. Mark Rutte was toen net weer premier en corona bestond nog niet. De feiten zelf hebben nog langer geleden plaatsgevonden. Is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan nog passend? Wij menen van niet.
Dat de advocaat-generaal naar voren brengt dat er in de periode 2005-2012 nog iets zou zijn gebeurd waarbij cliënt betrokken zou zijn geweest, mag niet tegen hem worden gebruikt.
Cliënt is beperkt, niet alleen vanwege de taal maar ook omdat hij ziek is geweest. Zijn standpunt houdt in dat hij nog weet dat het mis is gegaan met 1 factuur, maar dat hij zich niets meer herinnert van de rest en dat is ook logisch.
De Hoge Raad heeft bepaald dat vandaag alleen de straf aan de orde mag komen. Ik wijs in dat verband op een vonnis van de rechtbank Rotterdam met ECLI-nr. 2018:3662. In dat geval was het fraudebedrag 545.000 euro, dus hoger dan in dit geval, maar is toch een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf opgelegd. Het verschil is wel dat in die zaak de belastingdienst geen bedragen had uitbetaald aan de verdachte.
Op de vorige zitting van het hof heb ik nog twee arresten genoemd die van belang zijn.
Alles op een rijtje gezet, ben ik het eens met de advocaat-generaal.
(…)
De eis van de advocaat-generaal is passend.”