Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
V: Wanneer was die eerste ontmoeting?
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
26 maart 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een 39-jarige verdachte die meermalen ontuchtige handelingen pleegde met een 15-jarig meisje in de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 augustus 2016. Het hof Den Haag had de verdachte veroordeeld en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van € 2.500 voor immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2016.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof over de aanvangsdatum van de wettelijke rente. De Hoge Raad oordeelde dat het niet zonder meer begrijpelijk is dat de volledige immateriële schade op de aanvangsdatum van de bewezenverklaarde periode is ingetreden, gezien de meervoudige aard van de ontuchtige handelingen over een langere periode.
De Hoge Raad stelde daarom de aanvangsdatum van de wettelijke rente vast op het midden van de bewezenverklaarde periode, namelijk 1 juni 2016. Tevens werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd met twaalf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, waardoor deze op elf maanden en twee weken werd vastgesteld. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De aanvangsdatum van de wettelijke rente wordt vastgesteld op 1 juni 2016 en de gevangenisstraf verminderd tot elf maanden en twee weken.