Conclusie
Strafmotivering
begindatumvan de bewezenverklaarde periode, te weten 1 maart 2016, althans dat het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente op onbegrijpelijke en ontoereikende gronden op 1 maart 2016 heeft bepaald.
proces-verbaal van aangifted.d. 6 juni 2016 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2016084198-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 18 e.v.):
verklaring van [betrokkene 1]en haar echtgenoot:
. [benadeelde] had contact met (zijn stiefdochter) [betrokkene 2] . Zij zijn verliefd op elkaar. Het contact tussen [benadeelde] en [betrokkene 2] gaat via [verdachte] . Vader en dochter hebben hetzelfde Facebook profiel. [verdachte] en [benadeelde] hebben seks met elkaar gehad. [benadeelde] heeft het ook over pijpen en sperma en dat zij dat bij [verdachte] moet doen om contact te leggen met [betrokkene 2] . Dat gebeurt dan bij een buurvrouw in huis en die legt handdoeken voor hen klaar.
proces-verbaal van verhoorgetuige d.d. 4 april 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2016084198-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 24 e.v.):
verklaring van [benadeelde] , geboren op 3 januari 2001 te 's-Gravenhage:
. [verdachte] had tegen mij gezegd die flat achter de tramhalte.
proces-verbaal van bevindingend.d. 20 juni 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2016084198-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 51):
[betrokkene 3]
dreef is op ongeveer 500 meter afstand van de[…]
straat, alwaar de verdachte woonachtig was.
geschrift, zijnde de uitwerking van chatgesprekkentussen een telefoonaccount op naam van de verdachte en een telefoonaccount op naam van [benadeelde] . Deze chatgesprekken houden onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz 99 e.v.):
ook op mij deze week
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]
wanneerde bewezenverklaarde gedragingen precies hebben plaatsgevonden, (ii) de wettelijke rente op grond van art. 6:83, aanhef en onder b, BW eerst is verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad is ingetreden en (iii) uit de arresten van HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:918 en HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:445 kan worden afgeleid dat het bepalen van de aanvangsdatum van de wettelijke rente op de einddatum van de bewezenverklaarde periode onjuist is, althans dat het hof in de onderhavige zaak ontoereikend heeft gemotiveerd waarom reeds die begindatum de datum constitueert waarop de schade is ingetreden en de wettelijke rente aanvangt.
gevorderd [6] – over het te betalen immateriële schadebedrag gerekend wordt tot de door het strafbare feit toegebrachte schade waarvoor de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Voorts kan uit het arrest van HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:918, waarin de Hoge Raad naar art. 6:83, aanhef en onder b, BW verwijst, worden opgemaakt dat de wettelijke rente is verschuldigd tot aan de dag der algehele voldoening, vanaf het moment waarop – in het strafrecht: blijkens de bewijsmiddelen – de schade is ingetreden [7] (hier kortheidshalve verder de aanvangsdatum van de wettelijke rente te noemen).
nietkan worden afgeleid dat de feitenrechter de aanvangsdatum van de wettelijke rente in voorkomende gevallen nimmer op een eerder moment in de bewezenverklaarde periode kan bepalen. Een opvatting waar de steller van het middel kennelijk vanuit gaat, verdraagt zich niet met de hierboven weergegeven BW-bepalingen en het hierboven aangehaalde overzichtsarrest van de Hoge Raad. Wel zal dan uit de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen moeten blijken dat de bewezenverklaarde gedragingen vanaf dát moment zijn te situeren en de daaruit geleden immateriële schade (dus) vanaf dát moment is ingetreden. Als aan die voorwaarde(n) is voldaan, kan de wettelijke rente door de strafrechter ook worden bepaald vanaf het moment van de schade-toebrengende gebeurtenis als die gelegen is aan het begin van (respectievelijk een ander tijdstip in) de bewezenverklaarde periode. [10]