Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
In het feit dat belanghebbende voor het materiële geschil in het ongelijk is gesteld en uitsluitend in het gelijk is gesteld omdat de Rechtbank bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor het beroep een onjuiste waarde per punt heeft gehanteerd, heeft het Hof aanleiding gezien om de hiervoor weergegeven vergoeding, die uitkomt op € 1.674, op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) te verminderen tot € 837.
3.Proceskosten
De Hoge Raad willigt dat verzoek niet in. Voor het vaststellen van het gewicht van de zaak als bedoeld in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit neemt de Hoge Raad voor de cassatiefase factor 1 (gemiddeld) tot uitgangspunt. De door de Staatssecretaris aangevoerde omstandigheid geeft niet aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.