Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:2835

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
BK-25/105
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 7:408 BWArt. 7:413 BWArt. 8:25 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep parkeerbelasting: proceskostenvergoeding en weigering gemachtigde

De Heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag parkeerbelasting op, die na bezwaar werd vernietigd. Belanghebbende stelde beroep in bij de Rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en proceskosten toekende. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de proceskostenvergoeding, terwijl de Heffingsambtenaar incidenteel hoger beroep instelde.

Het Hof oordeelde dat het verzoek tot weigering van de gemachtigde van belanghebbende niet kan worden toegewezen, omdat de algemene voorwaarden van de gemachtigde niet leiden tot ernstige schade aan belangen of de rechtsbedeling. Het incidenteel hoger beroep van de Heffingsambtenaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Verder werd geoordeeld dat het principaal hoger beroep ontvankelijk is, ondanks de stelling dat belanghebbende geen belang heeft vanwege een no-cure-no-pay overeenkomst. Het Hof stelde vast dat de Rechtbank ten onrechte geen procespunt toekende voor het verschijnen ter zitting en handhaafde de wegingsfactor 0,25 vanwege het geringe belang en de eenvoud van het geschil.

De proceskostenvergoeding werd verhoogd voor zowel de beroeps- als hogerberoepsfase, en de Heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten. De uitspraak bevestigt het belang van correcte proceskostenvergoedingen en de beperkte gronden voor weigering van gemachtigden.

Uitkomst: Het Hof verhoogt de proceskostenvergoeding, wijst het verzoek tot weigering van de gemachtigde af en verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/105

Uitspraak van 2 december 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Delft, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 januari 2025, nummer SGR 24/5286.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 12 september 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd naar een bedrag van € 91 (€ 30 parkeerbelasting en 61 aan kosten van de naheffing). De naheffingsaanslag is opgelegd wegens parkeren op 10 september 2023.
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 842,75;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden;
  • bepaalt dat de termijn voor de vergoedingen van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft in een nader stuk van 9 oktober 2025 verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Op 26 november 2024 heeft de Rechtbank een uitnodiging voor de zitting op 17 december 2024 verzonden aan (de gemachtigde van) belanghebbende. De uitnodiging vermeldt onder meer:

Aanwezigheid
De rechtbank kan het beroep en het verdere verloop van de procedure alleen met partijen bespreken als die op de zitting aanwezig zijn.
De rechtbank raadt u daarom aan naar de zitting te gaan.
2.2.
De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd en een kostenvergoeding toegekend bestaande uit 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 310.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“4. Eiser bepleit een hogere proceskostenvergoeding per punt op grond van de conclusie van Advocaat-Generaal R.J. Koopman van 1 maart 2024[1]. Deze geeft aan dat in het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht het standaardtarief in de bezwaarfase voor belastingzaken is vastgesteld op € 296 (tarief 2023), terwijl dat voor andere zaken ruim het dubbele is, namelijk € 597. De Advocaat-Generaal is het met de bewuste verzoekster eens dat dit verschil in strijd is met het discriminatieverbod.
5. Verweerder bepleit een waarde per punt van € 310 (tarief 2024). De gehanteerde wegingsfactor is niet in geding.
6. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad op 12 juli 2024[2] dienen de kosten voor het bezwaar inderdaad met toepassing van het hogere tarief te worden vergoed. Omdat deze uitspraak van de rechtbank in 2024 wordt gedaan, dient daarbij het tarief te worden toegepast dat voor 2024 is vastgesteld (€ 624 per punt voor bezwaar). Eiser wordt aldus in zijn gelijk gesteld.
7. De rechtbank kent geen punt toe voor het bijwonen van de zitting, nu de gemachtigde van eiser ter zitting enkel heeft verwezen naar bovengenoemd arrest – waarvan hij weet dat de rechtbank dit toepast – en voorts te kennen heeft gegeven dat hij daaraan niets toe te voegen had. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser was geïnformeerd over het feit dat verweerder te kennen had gegeven niet aanwezig te zullen zijn op zitting. Kosten voor het verschijnen ter zitting waren gelet op het voorgaande en het geringe belang van de zaak, naar het oordeel van de rechtbank daarom geen kosten die eiser redelijkerwijs moest maken in de zin van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
8. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 842,75 (0,5 procespunt voor het indienen van een bezwaarschrift en 0,5 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar, met een waarde van € 624 per punt, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25, gelet op het zeer geringe belang en de eenvoud van het geschil).
(…)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In het principaal hoger beroep is in geschil is of de Rechtbank terecht geen procespunt heeft toegekend voor het bijwonen van de zitting. Verder is in geschil of de Rechtbank terecht wegingsfactor 0,25 heeft toegepast. In het incidenteel hoger beroep is in geschil of de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding heeft toegekend.
4.2.1.
Belanghebbende concludeert in het principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot verhoging van de toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsprocedure, tot vergoeding van het griffierecht in de beroepsprocedure, tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht voor de hogerberoepsprocedure en tot vergoeding van wettelijke rente over de (proces)kostenvergoedingen.
4.2.2.
Belanghebbende concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep.
4.3.1.
De Heffingsambtenaar concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het principaal hoger beroep. Indien het principaal hoger beroep ontvankelijk wordt geacht, concludeert hij tot ongegrondverklaring daarvan.
4.3.2.
De Heffingsambtenaar concludeert in zijn incidenteel hoger beroep tot vernietiging van de proceskostenveroordeling.

Beoordeling van het hoger beroep

Verzoek weigeren gemachtigde
5.1.
De Heffingsambtenaar verzoekt het Hof de gemachtigde te weigeren. Hij wijst hierbij op de algemene voorwaarden van de gemachtigde. Deze algemene voorwaarden zijn in strijd met artikel 7:408, lid 3, gelezen in verbinding met artikel 7:413, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, aldus de Heffingsambtenaar, omdat ze feitelijk contractuele boetes stellen op opzegging. De algemene voorwaarden leiden ertoe dat de belastingplichtige die zich aanmeldt bij de gemachtigde verwordt tot een willoze stroman, of een
‘ticket,’dienend aan het verdienmodel van de gemachtigde, in plaats van een mens aan wie als justitiabele rechtsbijstand verleend wordt om zijn rechtspositie zo goed mogelijk vorm te geven. Verder is het problematisch dat op grond van de algemene voorwaarden de naheffing parkeerbelasting van een wagenpark op oneigenlijke gronden wordt verschoven naar een werknemer van de eigenaar van het desbetreffende wagenpark, teneinde het toepasselijke griffierecht voor bedrijven te ontwijken.
5.2.
Op grond van artikel 8:25, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan weigeren. Artikel 8:25, lid 1, Awb biedt de rechter geen grondslag voor een beslissing dat een persoon in alle aanhangige of nog aanhangig te maken zaken niet als gemachtigde of bijstandverlener mag optreden. De weigering van die persoon als gemachtigde of bijstandverlener moet beperkt blijven tot de resterende duur van de behandeling van de desbetreffende zaak in die instantie (HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:141, BNB 2021/69).
5.3.
Artikel 8:25 Awb Pro is bedoeld als uiterste maatregel tegen gemachtigden of bijstandverleners van wie moet worden aangenomen dat hun optreden ernstige schade kan toebrengen. Dit criterium is daarbij niet beperkt tot gedrag waardoor de gemachtigde of bijstandverlener schade toebrengt aan concrete individuele belangen van zijn cliënt. Die ernstige bezwaren kunnen ook ontstaan door gedrag van de gemachtigde of bijstandverlener waardoor een behoorlijke rechtsbedeling in gevaar wordt gebracht. De aard van de regeling brengt mee dat het rechtsgevolg ervan beperkt moet blijven tot die zaak, en tot de instantie waarin de beslissing is genomen. De rechter moet de reden tot weigering in beginsel ontlenen aan de gedragingen van de gemachtigde of bijstandverlener in zijn instantie. Het staat de rechter daarbij vrij in de waardering van die gedragingen te betrekken wat hem overigens bekend is over het gedrag van die gemachtigde of bijstandverlener (HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, BNB 2021/20).
5.4.
Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de gewraakte algemene voorwaarde op grond waarvan de opdrachtgever (belanghebbende) een vergoeding verschuldigd is als hij de opdracht staakt of intrekt, nietig is wegens strijd met dwingend recht, kan daaraan naar het oordeel van het Hof nog niet de conclusie worden verbonden dat de gemachtigde in deze procedure ernstige schade toebrengt aan de belangen van belanghebbende of dat hij een behoorlijke rechtsbedeling in gevaar brengt. Dat wordt niet anders doordat de gemachtigde op zijn website vermeldt dat de opdrachtgever de opdracht niet tussentijds mag intrekken. De klacht over de afspraken die worden gemaakt met eigenaren van wagenparken kan evenmin slagen. In het onderhavige geval is de naheffingsaanslag opgelegd aan [A B.V.] De gemachtigde heeft namens belanghebbende als feitelijk parkeerder bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In zijn arrest van 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508, BNB 2000/284, r.o. 4.4 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de feitelijk parkeerder dit recht heeft. De veronderstelling van de Heffingsambtenaar dat de gebruikmaking van dit recht door belanghebbende slechts erop gericht is geweest het griffierecht voor rechtspersonen te ontwijken wordt niet ondersteund door enige concrete aanwijzing in de gedingstukken. Het Hof ziet in de door de Heffingsambtenaar aangevoerde argumenten dan ook geen reden de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak te weigeren.
Ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep
5.5.
Ter zitting van het Hof heeft de Heffingsambtenaar erkend dat hij het incidenteel hoger beroep te laat heeft ingediend. Ter verschoning van de te late indiening heeft de Heffingsambtenaar aangevoerd dat er voor het eerst aanleiding was incidenteel hoger beroep in te stellen nadat hij kennis had genomen van de algemene voorwaarden die de gemachtigde van belanghebbende hanteert en dat hij pas sinds augustus 2025 betrokken is geraakt bij dit dossier.
5.6.
Het Hof ziet in de door de Heffingsambtenaar aangevoerde omstandigheden geen verschoonbare termijnoverschrijding. De algemene voorwaarden zijn gepubliceerd op de website van het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende ( [website] ) en konden dus redelijkerwijs ruim voor de betrokkenheid van de huidige vertegenwoordiger van de Heffingsambtenaar bekend zijn bij de (collega’s van de huidige vertegenwoordiger van de) Heffingsambtenaar, die zo nodig pro forma incidenteel hoger beroep hadden kunnen instellen. Indien een partij wel in staat is om binnen de wettelijke termijn een rechtsmiddel aan te wenden, maar dit niet heeft gedaan omdat zij daartoe binnen die termijn geen reden had, kan een nadien opgekomen reden overigens evenmin bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt (zie HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368, BNB 2004/293, r.o. 3.3 en HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062, BNB 2006/215). Nu het incidenteel hoger beroep niet-verschoonbaar te laat is ingesteld, is het niet-ontvankelijk.
Ontvankelijkheid hoger beroep
5.7.1.
De Heffingsambtenaar stelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat belanghebbende geen belang bij de hogerberoepsprocedure heeft. Volgens hem is sprake van een no-cure-no-pay rechtsbijstandverlener die alleen voor zijn eigen belang procedeert, omdat alleen hem de proceskostenvergoeding ten goede komt en belanghebbende geen economisch belang heeft bij deze procedure. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.
5.7.2.
Het is vaste rechtspraak dat een hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard als de indiener daarvan bij de aanwending van het rechtsmiddel geen (proces)belang heeft. Dat is het geval als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, die indiener niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) nevenbeslissingen zoals die met betrekking tot de proceskosten, het griffierecht en de immateriëleschadevergoeding (HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, BNB 2014/122, HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844, BNB 2017/203 en HR 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:265, BNB 2024/42). De enkele omstandigheid dat een belanghebbende met diens gemachtigde een overeenkomst op basis van no-cure-no-pay heeft gesloten op grond waarvan de kosten die belanghebbende aan de gemachtigde moet betalen worden gesteld op het bedrag dat een rechterlijke instantie toekent als (proces)kostenvergoeding, brengt echter niet mee dat belanghebbende geen belang kan hebben bij het rechtsmiddel (HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0904, BNB 2012/256). Dat de parkeerbelasting in hoger beroep niet (meer) in geschil is, doet daar naar het oordeel van het Hof niet aan af. Het Hof ziet hiervoor bevestiging in het recente arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2025 (HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:337, BNB 2025/48). Gelet op het voorgaande is het principale hoger beroep ontvankelijk.
Procespunt zitting
5.8.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding ten onrechte geen procespunt heeft toegekend voor het bijwonen van de zitting.
5.8.2.
Uit artikel 2, lid 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in samenhang met onderdeel A1, punt 13 van de daarbij behorende bijlage volgt dat een procespunt wordt toegekend voor het bijwonen van een zitting. Het Hof stelt vast dat belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting bij de Rechtbank bij het onder 2.1 vermelde bericht en dat de Rechtbank belanghebbende in dit bericht heeft geadviseerd naar de zitting te komen. De Rechtbank heeft belanghebbende nadien geen andersluidend bericht gestuurd. De Rechtbank heeft niet gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een zaak op grond van artikel 8:54 Awb Pro af te doen zonder zitting. Het kan belanghebbende dan niet worden tegengeworpen dat hij en zijn gemachtigde ter zitting zijn verschenen met als consequentie dat geen procespunt voor de zitting wordt toegekend. Geoordeeld moet daarom worden dat de Rechtbank ten onrechte geen proceskosten heeft toegekend voor het verschijnen van de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van de Rechtbank. Dat het verhandelde ter zitting van de Rechtbank zeer beknopt was, maakt dit oordeel niet anders, te meer niet omdat de Heffingsambtenaar niet ter zitting was verschenen. Het hoger beroep is dan ook gegrond.
Wegingsfactor
5.9.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Heffingsambtenaar ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) heeft toegepast voor de beroepsfase, waar deze op 0,5 (licht) had moeten worden gesteld. Volgens belanghebbende bestaat onvoldoende aanleiding af te wijken van factor licht en hij betwist dat sprake is van een evident eenvoudige zaak.
5.10.
Het Hof stelt voorop dat de rechter op grond van een eigen waardering dient te beoordelen in welke gewichtscategorie van onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb een zaak valt (HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, BNB 2011/265). Per fase van de procedure moet worden beoordeeld welke wegingsfactor van toepassing is (HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, BNB 2013/122). Het aan een zaak toekomende gewicht wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid (bewerkelijkheid en gecompliceerdheid) daarvan en de uitkomst van deze beoordeling moet voorts in overeenstemming zijn met de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (zie de nota’s van toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 1993,763, p. 8-9 en van 25 februari 2002, Stb. 2002,113, p. 6 en onder meer HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, BNB 2022/128 en HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1056, BNB 2023/130).
5.11.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank door te overwegen dat zij een wegingsfactor van 0,25 toepast vanwege het zeer geringe belang en de eenvoud van het geschil voldoende gemotiveerd waarom zij de wegingsfactor ‘zeer licht’ hanteert. Het geschil in beroep betrof uitsluitend de hoogte van de waarde per punt voor de kostenvergoeding in de bezwaarfase. Daarbij komt dat de zaak zoals deze in de beroepsfase voorlag is ingeleid met een beknopt beroepschrift dat hoofdzakelijk bestaat uit een citaat uit een conclusie van Advocaat-Generaal Koopman. De Rechtbank heeft daarom het belang en de ingewikkeldheid van de zaak en de daarmee overeenkomende werkbelasting van de rechtsbijstandsverlener, mede in het licht van de gronden waarop het beroep gegrond was, als van zeer licht gewicht kunnen classificeren (vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, BNB 2025/97).
5.12.
Ten aanzien van het beroep van belanghebbende op het richtsnoer dat als bijlage is opgenomen bij de uitspraak van Gerechtshof Den Bosch van 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, overweegt het Hof dat het richtsnoer door de belastingkamers van de gerechtshoven is vastgesteld als leidraad voor door hen te nemen beslissingen over proceskosten. Heffingsambtenaren noch rechtbanken binnen de respectievelijke ressorten zijn betrokken bij de totstandkoming van het richtsnoer. Zij zijn derhalve niet aan het richtsnoer gebonden (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:703, BNB 2024/83, r.o. 4.3.2). Indien, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geklaagd over de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor, is de beoordelingsmaatstaf voor het Hof dan ook niet of de Rechtbank het richtsnoer juist heeft toegepast. Het gaat erom of de Rechtbank – met haar eigen waardering zoals bedoeld in 5.10 – de regels uit het Bpb omtrent het gewicht van de zaak juist heeft toegepast. Zoals het Hof in 5.11 heeft geoordeeld, is aan die maatstaf voldaan.
5.13.
Het Hof zal de proceskosten voor de behandeling van het beroep opnieuw vaststellen op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb. De vergoeding per punt moet worden berekend naar het tarief zoals dat geldt ten tijde van deze uitspraak (vgl. HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:531, BNB 2024/54, r.o. 2.6.2).
Slotsom
5.14.
Het hoger beroep is gegrond. Het incidenteel hoger beroep is niet ontvankelijk.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Gelet op het voorgaande is er aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de beroeps- en hogerberoepsfase, welke kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, als volgt worden vastgesteld. Daarbij geldt dat aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet in de weg staat dat die bijstand is verleend op basis van no-cure-nopay (HR 7 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6841, BNB 2011/281).
6.2.1.
Voor de beroepsfase: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 907 en een wegingsfactor 0,25; in totaal € 453,50.
6.2.2.
Voor de hogerberoepsfase: 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 907 en een wegingsfactor 0,25; € 453,50. De wegingsfactor is vastgesteld conform het richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, Gerechtshof Den Haag 14 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1398, paragraaf 1.2. Het Hof past wegingsfactor 0,25 toe omdat het hoger beroep uitsluitend ziet op de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding en slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandverlener heeft gevergd.
6.3.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van in totaal € 143 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de proceskostenveroordeling voor de beroepsfase betreft;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
  • veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 907;
  • gelast de Heffingsambtenaar de door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierechten van € 143 aan deze te vergoeden; en
  • bepaalt dat de termijn voor de vergoedingen van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, M.J.M. van der Weijden en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 2 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.