ECLI:NL:HR:2024:54
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof wegens schending behoorlijke rechtspleging bij wrakingsverzoek
Belanghebbende stelde in hoger beroep bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en Zorgverzekeringswet voor het jaar 2016. Tijdens het onderzoek ter zitting bij het Hof Amsterdam op 8 juni 2022 diende belanghebbende een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren die de zaak behandelden. Het Hof deed echter op 9 juni 2022 uitspraak in de hoofdzaak voordat op het wrakingsverzoek was beslist.
De wrakingskamer van het Hof oordeelde later dat belanghebbende ontvankelijk was in het wrakingsverzoek, maar dat het verzoek moest worden afgewezen omdat het doel van wraking, namelijk vervanging van raadsheren, niet meer kon worden bereikt na de uitspraak in de hoofdzaak.
De Hoge Raad overweegt dat wanneer een wrakingsverzoek is ingediend voordat uitspraak is gedaan, het gerecht zich als regel moet onthouden van verdere behandeling totdat op het verzoek is beslist. Dit is een vereiste om onpartijdige rechtspraak te waarborgen. Het Hof heeft deze regel geschonden door uitspraak te doen terwijl het wrakingsverzoek nog aanhangig was.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en wijst de zaak terug ter verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens wordt de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens schending van de eisen van behoorlijke rechtspleging en de zaak wordt terugverwezen.