Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
(ben je wel klaar blood?)
(Super vriend/makker/kanjer)zo ga ik die auto zette en daarna na oost die motro
(motor)hallen en daar naar toe rijden en ik hoop dat zo donker werden bro
(En wees voorzichtig blood!)
kijk goed)
begroeting) blood
Kom die niet meer shicha ? En is iedereen weg dan ?
Dat die op 100% werk
(je bent me er wel één blood)
hahhahhahahahahahahahaha
(Ja, werkt op mijn zenuwen blood)
(Waar ben je blood?)
(in Rotterdam)ik heb hem Gezegt hoe kan die man weg gaan zonder je heb hem niet gezien
Een goede week toegewenst blood) ben je nog dan kom ik met [naam 2] maar jou dan praatte we beeter bro
(Een goede week toegewenst)
De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.
Voor een veroordeling voor het – als medepleger – voorhanden hebben van een voorwerp als bedoeld in artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Vereist is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van dat voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het voorwerp zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. (Vgl. over het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen of munitie, HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938.)
Uit de berichten die op 3 oktober 2015 vanaf 21.18 uur zijn gewisseld, volgt over de gebeurtenissen bij de sporthal dat [naam 9] die avond vanaf een brug de uitgang van de sporthal observeerde, maar hij [slachtoffer] niet zag. Vervolgens vroeg mededader [medeverdachte 3] aan [naam 9] om nog even te wachten en dan weg te gaan. [naam 9] stuurde daarna, om 21.38 uur, een bericht aan de verdachte, waarin hij klaagde over de manier waarop de observatie was verlopen.
Later die avond en de dagen erna zijn nog verschillende keren berichten verzonden over onder meer het verloop van de mislukte observatie. Daarbij stuurde de mededader [medeverdachte 2] “boze berichten” aan de verdachte over de manier waarop [naam 9] de observatie had uitgevoerd. [medeverdachte 2] schreef daarin onder meer dat [naam 9] op de verkeerde plaats had gestaan omdat je vanaf de brug niemand kan zien “om te vegen”. Ook vroeg [medeverdachte 2] aan de verdachte of [naam 9] misschien “bang” was en droeg hij de verdachte op om aan [naam 9] te zeggen: “als die wil werken werk maar kom niet steeds met shit”. De verdachte gaf vervolgens te kennen dat hij [naam 9] ter verantwoording had geroepen. Op 5 oktober 2015 hebben [naam 9] en [medeverdachte 2] vervolgens contact over een ontmoeting met elkaar, in het bijzijn van de verdachte, kennelijk om te praten over de mislukte observatie.
In de vaststellingen van het hof ligt verder besloten dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de in de bewezenverklaring vermelde voorbereidingsmiddelen en dat de verdachte samen met zijn mededaders feitelijke macht hierover heeft kunnen uitoefenen. Op basis van dit een en ander is – mede gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld – het oordeel van het hof dat de verdachte en zijn mededaders zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde voorbereiding van moord, toereikend gemotiveerd.
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
8 juli 2025.