Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
Gevoerd verweer
vermoedelijketerugbetalingen” en berekeningen van het “
vermoedelijkenetto loon”. Mochten de getallen al betrekking hebben op terugbetalingen en berekeningen van het netto loon dan is niet vastgesteld dat hier ook opvolging aan is gegeven en de bedragen daadwerkelijk zijn geïnd. Bovendien zien de lijsten alleen op een aantal weken in de periode van september 2016.
NJ2010/586 genoemde gevallen – bijvoorbeeld aan de orde zijn in zaken waarin het in het bijzonder gaat om verdenking van grootschalige fiscale fraude. [2] In zulke zaken kan dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter moet op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk zijn geworden. [3] Uit de overwegingen van de rechter moet dan bovendien volgen dat op die grond rekening is gehouden met niet tenlastegelegde feiten. [4]
NJ2021/401 m.nt. Klip werd in cassatie geklaagd over het door het hof bij de strafoplegging rekening houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan de verdachte waren ten laste gelegd. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de ten laste gelegde periode (5 januari 2013 t/m 28 juni 2016) feitelijk leiding had gegeven aan het door de rechtspersoon Stichting Christen Unie opzettelijk indienen van vijf onjuiste aangiften omzetbelasting. Bij de strafoplegging had het hof betrokkenen dat in de bewezenverklaarde periode (5 januari 2013 t/m 28 juni 2016) door genoemde Stichting tweeëntwintig onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan met een daarmee samenhangend nadeel van € 147.968,-. Ook betrok het hof daarbij dat voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode – in de periode van 2005 t/m 2010 – door de Stichting ingediende onjuiste aangiften tot een nadeel van € 109.880,- hadden geleid. Volgens het hof kon het niet anders zijn dan dat naast de tweeëntwintig onjuiste aangiften omzetbelasting die in de bewezenverklaarde periode ten name van de Stichting zijn ingediend, door die rechtspersoon ook tweeëntwintig aangiften in de periode 2005 t/m 2010 onjuist zijn ingediend. Het hof had vastgesteld dat de verdachte ten aanzien van de in laatstgenoemde periode ingediende aangiften omzetbelasting in het vooronderzoek door de FIOD met deze aangiften was geconfronteerd. De Hoge Raad vond het kennelijke oordeel van het hof dat de niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde door de Stichting gedane aangiften omzetbelasting kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de vijf in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en dat daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt, niet toereikend gemotiveerd. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat aannemelijk is geworden dat de niet tenlastegelegde door de Stichting gedane aangiften omzetbelasting (opzettelijk) onjuist waren gedaan en evenmin dat de verdachte aan het (opzettelijk) doen van die aangiften feitelijk leiding had gegeven. ’s Hofs oordeel dat de niet in de tenlastelegging en bewezenverklaarde genoemde belastingaangiften een voor de straftoemeting relevante omstandigheid zijn was daarom niet begrijpelijk.
NJ2021/400 m.nt. Klip. In deze zaak ging het om door de verdachte feitelijk leiding geven aan het medeplegen van door een rechtspersoon opzettelijk indienen van negen onjuiste aangiften met een daarmee samenhangend nadeel van ruim € 150.000,-. De vaststellingen door het hof hielden in dat het ging om repeterende, maandelijkse aangiften omzetbelasting die de verdachte door zijn boekhouder liet opmaken, en dat van in het totaal 32 belastingaangiften negen representatieve belastingaangiften in de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn vermeld. Verder had het hof vastgesteld dat ook de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften deel uit maken van het dossier en tijdens het voorbereidend onderzoek aan de verdachte zijn voorgehouden. Volgens het hof had het in deze zaak “in volle omvang ten laste leggen van alle 32 aangiften geen toegevoegde waarde”. Daarbij wees het hof op “het repeterend op identieke wijze feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting”. Naast de negen bewezenverklaarde onjuiste belastingaangiften heeft het hof ook de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften bij de strafoplegging betrokken en is het hof bij de strafmaat uitgegaan van 32 onjuiste belastingaangiften met een fiscaal nadeel van ruim € 400.000. Daarbij overwoog het hof dat met het betrekken van deze 32 belastingaangiften in de strafmaat ervan mag worden uitgegaan dat geen vervolging meer zal plaatsvinden ten aanzien van de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften en voorts dat het niet aannemelijk is (geworden) dat de verdachte op deze wijze in zijn verdediging wordt geschaad. Ook heeft het hof vastgesteld dat voor de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften niet is betwist dat deze aangiften onjuist waren en heeft het hof bovendien, voor zover de verdachte heeft betwist dat hij de 23 niet in de tenlastelegging genoemde onjuiste aangiften heeft laten indienen, deze betwisting “volstrekt ongeloofwaardig” geacht. Volgens het hof is gebleken van een structureel patroon met een omvangrijk karakter (over nagenoeg vier jaar, het merendeel van de in te dienen belastingaangiften). Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte heeft erkend dat hij – kort samengevat – het ene gat met het andere vulde om zijn bedrijf gaande te houden en dat daarom de aangiftes omzetbelasting valselijk te laag werden gehouden teneinde voldoende cashflow beschikbaar te hebben. Het kennelijk oordeel van het hof dat de 23 aangiften waarop de bewezenverklaring geen betrekking had als omstandigheden kunnen worden beschouwd waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook in het licht van hetgeen de verdachte over die aangiften had aangevoerd niet onbegrijpelijk.
NJ2023/34 was het cassatiemiddel over het ten onrechte bij de strafoplegging rekening houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd tevergeefs voorgesteld. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de in de tenlastelegging genoemde periode opzettelijk twee onjuiste aangiften had ingediend. Verder had het hof overwogen dat het grootschalige karakter van het handelen van de verdachte op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk is geworden en waren bij de strafoplegging door het hof naast de twee in de bewezenverklaring opgenomen aangiften ook andere zich in het dossier bevindende aangiften over de periode van (een gedeelte van) 2009 t/m oktober 2013 betrokken. Daarbij is uitgegaan van een totaal fiscaal nadeel van € 804.785. Volgens het hof konden de aangiften omzetbelasting die niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn genoemd, worden beschouwd als omstandigheden waaronder de twee in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en blijkt daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten. Dit oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking de vaststelling door het hof dat de twee in de bewezenverklaring betrokken aangiften “een selectie” zijn van de andere in de strafoplegging betrokken aangiften en “de modus operandi” bij het doen van de onjuiste aangiften telkens dezelfde was. Ook merkte de Hoge Raad op dat het hof had vastgesteld dat de verdachte in het vooronderzoek over alle aangiften is gehoord en op de terechtzitting in hoger beroep alle zich in het procesdossier bevindende aangiften aan de verdachte zijn voorgehouden, en de verdachte over het opzettelijk onjuist indienen van al die aangiften in de gelegenheid is gesteld een verklaring af te leggen. Van belang was ook dat de overwegingen van het hof over de strafbare betrokkenheid van de verdachte klaarblijkelijk ook zagen op haar betrokkenheid bij de aangiften die niet in de tenlastelegging waren opgenomen.
NJ2023/170 m.nt. Keijzer. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in totaal 25 aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting van de vijf in de bewezenverklaring genoemde cliënten valselijk had opgemaakt of vervalst. Ook had het hof vastgesteld dat de verdachte ten behoeve van een “groot aantal” van zijn cliënten onjuiste aangiften inkomstenbelasting had gedaan. Verder had het hof overwogen dat er betreffende de kostenposten die als aftrekbaar zijn aangemerkt en de specifieke steeds terugkerende bedragen die zijn opgevoerd, sprake was van opmerkelijke overeenkomsten tussen de 25 in de bewezenverklaring genoemde aangiften en die van andere klanten van de verdachte, en dat de stelselmatige en systematische handelwijze van de verdachte bij het valselijk opmaken van de in de bewezenverklaring genoemde aangiften ook gold voor het invullen van aangiften voor een aanzienlijk deel van de klanten van de verdachte die niet in de bewezenverklaring zijn genoemd. In zijn overwegingen heeft het hof betrokken dat de verdachte heeft bevestigd dat de vijf in de bewezenverklaring genoemde klanten “doorsnee klanten” betroffen en geoordeeld dat de in de tenlastelegging genoemde cliënten voldoende representatief zijn voor het merendeel van de – in totaal 4546 – aangiften die als afwijkend uit de ‘blauwdruk’ naar voren kwamen. Volgens de Hoge Raad kon het hof op grond hiervan oordelen dat uit het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van grootschalige fraude en getuigde het kennelijke oordeel van het hof dat dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreft niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het ook niet onbegrijpelijk.