Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
Middel 1voert aan dat de onjuiste beëdiging van de raadsheren bij het Hof moet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
Middel 2betoogt dat het Hof de herleidingsmethode ten onrechte heeft verworpen. Volgens
middel 3oordeelt het Hof ten onrechte dat uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode indien een auto van hetzelfde merk en type als de te registreren auto in de koerslijst is vermeld.
Middel 4voert aan dat de naheffingsaanslag tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van bpm-teruggaaf bij export van auto’s 1 en 2 geen rekening is gehouden met de naheffing.
Middel 5betoogt dat uit art. 110 VWEU Pro volgt dat belanghebbende voor auto’s 1 en 8 mag rekenen met een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer, aangezien niet kan worden uitgesloten dat eerder soortgelijke auto’s op basis van deze CO2-uitstoot in de bpm-heffing zijn betrokken.
Middel 6voert aan dat het Hof ten onrechte het afschrijvingspercentage in goede justitie heeft vastgesteld.
Middel 7betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat in het taxatierapport van een BMW Alpina geen correctie is toegepast vanwege de verschillen tussen een BMW Alpina en een BMW 750iL.
Middel 2faalt.
Middel 3slaagt.
middel 5faalt.
middel 1en
middel 7.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
auto’s 2, 4, 5 en 6heeft afschrijving plaatsgevonden op basis van een herrekend bruto bpm-bedrag dat belanghebbende heeft herleid uit een historische koerslijst. De afschrijving heeft vervolgens plaatsgevonden aan de hand van de forfaitaire tabel. Deze berekeningswijze wordt ook wel aangeduid als de ‘herleidingsmethode’.
auto’s 1 en 8heeft belanghebbende de ‘Scandinavische methode’ toegepast in de aangifte ter berekening van de CO2-uitstoot. Belanghebbende komt hiermee tot een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer. Op het Duitse kentekenbewijs voor beide auto’s was de CO2-uitstoot daarentegen vastgesteld op 380 gram per kilometer.
auto’s 1, 6 en 8zijn geen koerslijsten van auto’s van hetzelfde merk en type beschikbaar en zijn geen voertuigen van hetzelfde merk en type eerder geregistreerd in Nederland. Belanghebbende heeft bij het bepalen van de afschrijving voor deze auto’s aangesloten bij koerslijsten van auto’s van een ander merk en type.
auto 3heeft belanghebbende de afschrijving, met uitzondering van die op de opties, gebaseerd op een koerslijst behorende bij een voertuig van eenzelfde merk en type. De afschrijving op de opties is daarentegen gebaseerd op het gemiddelde van twee koerslijsten behorende bij een voertuig van een ander merk en type. Voorts past belanghebbende een correctie op de koerslijstwaarde toe op de grond dat auto 3 parallel is ingevoerd.
auto’s 2, 4, en 5) respectievelijk de forfaitaire tabel (
auto 6) toe. De Inspecteur accepteert voorts de CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer niet en gaat uit van een CO2-uitstoot van 380 gram per kilometer (
auto’s 1 en 8). Aangezien voor de
auto’s 1, 6 en 8geen koerslijst beschikbaar is voor een auto van het desbetreffende merk en type en belanghebbende geen taxatierapport heeft overgelegd, stelt de Inspecteur voor deze auto’s de afschrijving vast aan de hand van de forfaitaire tabel. Met betrekking tot
auto 3houdt de Inspecteur geen rekening met de afschrijving op de opties en verwerpt hij de correctie op de koerslijstwaarde wegens het verschil tussen parallel en officieel ingevoerde auto’s.
auto’s 1 en 8) respectievelijk BMW Alpina (
auto 6) geen beroep kan worden gedaan op koerslijsten behorende bij een Mercedes CL65AMG respectievelijk BMW 750iL, omdat dat geen koerslijsten van hetzelfde merk en type zijn. Er is wel een taxatierapport van de BMW Alpina, maar die is gebaseerd op de handelsinkoopwaarde van een BMW 750iL zoals die volgt uit de koerslijst. Het taxatierapport is daarmee niet aan te merken als een ter zake van
auto 6opgesteld taxatierapport.
auto’s 1 en 8de CO2-uitstoot op grond van art. 9(11) Wet BPM op 350 gram per kilometer moet worden gesteld, omdat er een auto is van hetzelfde merk en type waarvoor ook – volgens de Inspecteur op basis van een fout – de uitstoot op 350 gram per kilometer is gesteld. Volgens het Hof levert dit geen schending op van art. 110 VWEU Pro, omdat dit maximum uitsluitend van toepassing is als de CO2-uitstoot niet op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond. Er is niet gesteld of gebleken dat dat zo was voor de referentieauto.
auto 3in goede justitie heeft vastgesteld.
auto’s 1 en 2) tijdsevenredig verminderd dient te worden, aangezien bij het verlenen van teruggaaf bij export geen rekening is gehouden met het nageheven bedrag. Het Hof verwerpt dit betoog. Voor zover belanghebbende een beroep deed op het gelijkheidsbeginsel slaagt dit niet, aldus het Hof.
3.Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
Middel 1voert aan dat de zaak door deze fouten moet worden overgedaan vanwege een schending van art. 6 EVRM Pro.
middel 1merkt de Staatssecretaris op dat de Hoge Raad in zijn arrest van 21 oktober 2022 [7] oordeelt dat het gebruik van een onjuiste tekst bij de beëdiging van een raadsheer in het Hof niet leidt tot vernietiging van de uitspraken in de zaken die deze raadsheer (mede) heeft beslist.
middel 3). Ook is het Hof terecht voorbijgegaan aan het taxatierapport voor auto 6 (
middel 7).
middel 4). Hij meent dat het Nederland is toegestaan bpm te heffen over auto’s die hoofdzakelijk zijn bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland of hier feitelijk duurzaam worden gebruikt, ongeacht de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto. Het Unierecht noopt in die gevallen niet tot een regeling die voorziet in teruggaaf van bpm wanneer een auto na verloop van tijd niet meer is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland en voor duurzaam gebruik wordt overgebracht naar een andere lidstaat, aldus de Staatssecretaris. [9]
middel 5voert de Staatssecretaris in verweer aan dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat op belanghebbende de bewijslast rust aannemelijk te maken dat zich op het moment van registratie van auto’s 1 en 8 gelijksoortige auto’s van hetzelfde merk en type op de Nederlandse markt bevonden ter zake waarvan de bpm-heffing is gebaseerd op een lagere CO2-uitstoot. Het oordeel dat belanghebbende niet slaagt in deze bewijslast heeft het Hof volgens de Staatssecretaris voldoende gemotiveerd en is niet onbegrijpelijk.
middel 6).
4.Bespreking van de middelen
Middel 1 (beëdiging)
middel 1af te doen met toepassing van art. 81(1) Wet RO.
X [20] , waarin het Hof van Justitie overweegt:
slechtsrelevante criteria zijn om het best passende referentievoertuig te bepalen en dat het ontbreken van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een auto van hetzelfde merk en type als de ingevoerde auto, niet tot gevolg heeft dat de koerslijstmethode niet kan worden toegepast.
in het eerstgenoemde gevalof een taxatierapport. Bij andere voertuigen kan onder de voorgestelde regelgeving voortaan geen gebruik meer gemaakt worden van taxatierapporten. Bij deze voertuigen kan een belastingplichtige dus slechts kiezen tussen waardering op basis van de forfaitaire tabel of een koerslijst”
in zoverre in afwijking van de wet– mag berekenen met toepassing van het tarief dat van toepassing was op de gelijksoortige auto. Dezelfde redenering kan worden gevolgd, wanneer een verschil in bpm tussen gelijksoortige auto’s is terug te voeren op toepassing van art. 9(11) Wet BPM. Anders dan het middel betoogt, meen ik dat uit voornoemd arrest, wederom in samenhang met de bewijsregels uit het arrest van 20 mei 2022 [35] , volgt dat de belastingplichtige moet stellen en, bij betwisting, aannemelijk maken dat sprake is van een gelijksoortige auto en dat het lagere restbedrag aan bpm dat rust op deze auto is terug te voeren op toepassing van art. 9(11) Wet BPM.
Xeen vrij strikte benadering volgt, koppelt het Hof van Justitie in dit punt de discriminerende gevolgen aan
de inrichting van het wettelijk stelsel. In het onderhavige geval is het bepleite lagere restbedrag niet het gevolg van de toepassing (of: de inrichting) van de Wet BPM, maar volgt het lagere restbedrag uit een (onterechte) afwijking van de wet die als gevolg van een fout in stand is gebleven. Hieruit kan niet de conclusie volgen dat de (inrichting van de) Wet BPM in strijd is met art. 110 VWEU Pro.
Visnapuu [46] van het Hof van Justitie. Zou de heffing over een binnenlandse verpakking door toedoen van een fout éénmalig achterwege blijven, dan zou een strikte uitleg van art. 110 VWEU Pro tot gevolg hebben dat het daarna niet meer mogelijk is de belasting te heffen op de verpakkingen uit andere lidstaten, omdat deze buitenlandse producten niet zwaarder mogen worden belast dan de binnenlandse verpakking waarover abusievelijk geen belasting is geheven. Dit zou (een deel van) het belastingstelsel zinledig maken. Ik meen dat niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat art. 110 VWEU Pro niet zo strikt moet worden geïnterpreteerd.
de te registreren auto(auto 3 inclusief de opties) in plaats van de nieuwprijs van de
referentieauto(zonder de opties). Dit uitgangspunt acht ik onjuist. Ik licht dit toe.
2. Goedkeuring
3.Voorwaarden en beperkingen
De praktijk is al bekend met deze werkwijze in het kader van de zogenoemde tegenbewijsregeling.”
referentieautomoet worden gehanteerd, volgt mijns inziens ook uit jurisprudentie van de Hoge Raad. Ik wijs in de eerste plaats op het arrest van 2 maart 2012 [55] . Hierin oordeelt de Hoge Raad (cursivering CE):
enerzijds de prijs waarvoor de referentieauto in nieuwe staat is aangekocht(en bij welke prijsvorming rekening wordt gehouden met het wettelijk verschuldigde bedrag aan BPM ter zake van de registratie als ongebruikte auto) en van anderzijds de prijs waarvoor die auto in dezelfde gebruikte staat als de auto waarvoor het bedrag aan verschuldigde BPM moet worden bepaald, wordt verkocht.”
Opmerking verdient nog dat om het juiste afschrijvingspercentage als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet te kunnen vaststellen, zowel de catalogusprijs als de handelsinkoopwaarde betrekking moeten hebben op dezelfde referentieauto. Een afschrijvingspercentage voor een kampeerauto kan dus niet worden bepaald op basis van enerzijds een catalogusprijs die is bepaald door vergelijking met een gesloten bestelauto en anderzijds een handelsinkoopwaarde die is bepaald door vergelijking met een andersoortig motorvoertuig (in dit geval een kampeerauto).”
referentieauto. In casu betreft deze vermindering het afschrijvingspercentage dat volgt uit het verschil tussen de handelsinkoopwaarde en de historische nieuwprijs van de referentieauto, een en ander zoals afgeleid uit een koerslijst van deze referentieauto. Vervolgens wordt deze vermindering (dan wel: dit percentage) toegepast op het bpm-bedrag voor de
te registeren auto(art. 10(1) Wet BPM). De gegevens van de
te registreren autospelen bij deze berekening geen rol – met uitzondering van de CO2-uitstoot die wordt gebruikt om het bpm-bedrag (art. 9(1) en (2) Wet BPM) te berekenen. De nieuwprijs van de
te registreren autois in het onderhavige geval dus niet van belang voor de bpm-vermindering, in tegenstelling tot wat het middelonderdeel kennelijk betoogt.
catalogusprijsnoemt en niet de
(historische) nieuwprijs. Ik begrijp dat zij hiermee betoogt dat de bruto bpm en nieuwprijs niet hoeven te zien op de referentieauto, dan wel dat de bruto bpm en de nieuwprijs niet uit de koerslijst hoeven te volgen. Ik meen echter dat waar de Hoge Raad de
catalogusprijsnoemt, hetzelfde naar analogie heeft te gelden voor de
bruto bpmen daarmee de
historische nieuwprijs– mede gezien de toelichting op de tegenbewijsregeling (4.65). Ook Van Brummelen [57] gaat daarvan uit. Hij annoteert het volgende bij het arrest van 20 mei 2022 (cursivering CE):
de catalogusprijs (historische nieuwprijs)als de handelsinkoopwaarde betrekking moeten hebben op dezelfde referentieauto.”
Vermindering bpm berekenen op basis van een koerslijst
5 vermindering bpm op basis van een koerslijst
Neem over uit de koerslijst(…)
Neem over uit koerslijst(…)”
2.7 Codificatie uitspraak Hoge Raad over gebruik van handelskoerslijsten
193-16-01061