Conclusie
1.Inleiding en overzicht
Waar gaat de zaak over?
no cure no pay-basis) over geschillen betreffende aanmaningskosten waarbij het verweer van de belanghebbende is dat geen notificatie is ontvangen van plaatsing van de belastingaanslag in de berichtenbox (zie 7.19-7.26). Er kan daarnaast sprake zijn van een uitstralingseffect naar een aanpalende kwestie namelijk of een overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is indien geen notificatie is ontvangen.
mutantis mutandisvan toepassing in het kader van de beoordeling of aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht, aangezien de Kw niet een met art. 6:11 Awb Pro vergelijkbare bepaling kent (8.42).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Juridisch kader geschil over aanmaningskosten
5.Ontwikkeling in de tijd juridisch kader berichtenbox
b. op verzoek van een afnemer die de Berichtenbox van MijnOverheid als verplicht kanaal voor elektronisch berichtenverkeer heeft aangewezen, informatie of een gebruiker van een MijnOverheid-account waarop de uitvoering van die taak betrekking heeft, zijn account wel of niet in gebruik heeft genomen en het bijbehorende burgerservicenummer.”
2.4 Notificaties Berichtenbox MijnOverheid
6.Juridische betekenis notificatiebericht: regelgeving en toelichting
MijnOverheid’ van de Nationale ombudsman bevat een deel van de tekst van “versie 2.9 van 24 september 2014 (geldend tot 1 november 2015)”, [65] waaronder de tekst van art. 2, dat in de leden vijf tot en met zeven bepalingen over notificaties bevat. Ik citeer een deel van dat artikel:
eerstebetreft de bepaling over wat als tijdstip van verzending heeft te gelden bij digitale verzending van een bericht door het bestuursorgaan. Die bepaling was opgenomen in art. 2:17 Awb Pro (zie 6.3). Zij is na invoering van de WMEBV opgenomen in art. 2:19 Awb Pro, zij het met enige aanpassingen. Hier is vooral relevant de in onderdeel b verwerkte tekstuele aanpassing die erin bestaat dat gesproken wordt over “een systeem voor gegevensverwerking waarin de geadresseerde toegang heeft tot het bericht” in plaats van “hetzelfde systeem voor gegevensverwerking”. Verder zijn in onderdeel a de woorden “of een ander bestuursorgaan” ingevoegd. Art. 2:19 (nieuw) Awb luidt voor zover van belang als volgt:
tweedewijziging betreft de invoering van een diverse bepalingen over het notificeren in het geval van een elektronische verzending van een bericht door plaatsing van het bericht in een systeem voor gegevensverwerking waarin de geadresseerde toegang heeft, zoals een berichtenbox. Op grond van art. 2:10 (nieuw) Awb is in zo’n geval verzending van een kennisgeving (notificatie) verplicht, tenzij de geadresseerde heeft laten weten een dergelijke kennisgeving niet te willen ontvangen. Dit impliceert ook dat, anders dan ten tijde van de invoering van art. X WEBB uitgangspunt was (zie bijv. 6.11 en 6.13), een opt-out-systeem het uitgangspunt is wat betreft het ontvangen van notificaties. Het tweede lid – dat trouwens pas in werking treedt met ingang van 1 januari 2027 [89] – stelt eisen aan de inhoud van de kennisgeving. Het derde lid – dat gedurende het wetgevingsproces is toegevoegd aan het wetsvoorstel [90] – bepaalt, kort gezegd, dat als het bestuursorgaan gebruik maakt van zowel de berichtenbox als een andere voorziening, het bestuursorgaan kan volstaan met kennisgeving van plaatsing van het bericht in de berichtenbox. Ik citeer art. 2:10 (nieuw) Awb volgens de tekst van de WMEBV zoals gepubliceerd in het Staatsblad [91] :
7.Rechtspraak over notificatie in het kader van een berichtenbox
geennotificatie te willen ontvangen, terwijl de berichtenbox destijds nog uitging van een opt-in-systeem (en dus niet van een opt-out-systeem) voor notificaties.
8.Algemene beschouwing
Inleiding
MijnOverheid’. [142] Lezing van beide rapporten is zonder meer aanbevelingswaardig, ook met het oog op de vraag wat het in 8.1 bedoelde beoordelingskader zou moeten inhouden. Niettemin heb ik ervan afgezien om deze rapporten hier uitgebreider op te nemen. Dat is niet alleen om de reden dat de conclusie anders (nog) langer zou worden, maar ook om de reden dat de kern van de inhoud van de rapporten wat betreft notificaties al kernachtig is weergegeven in CRvB AB 2022/270 (zie 7.5). Bovendien kan een kernpunt van de rapporten – te weten in mijn woorden: dat het doenvermogen van burgers met betrekking tot de berichtenbox is overschat [143] – als een gegeven worden beschouwd. Niet voor niets is de regering bij de totstandkoming van de WMEBV van een mijn inziens veel realistischer burgerbeeld uitgegaan wat betreft (de verantwoordelijkheid voor) kennisname van berichten in de berichtenbox dan eerder bij de parlementaire behandeling van de WEBB (zie bijv. 6.36 over enige verschillen).
geenonderdeel is van de bekendmaking van een besluit in de zin van art. 3:41 Awb Pro. Van die laatste opvatting wordt doorgaans ook in de fiscale feitenrechtspraak uitgegaan (zie 7.15). Die opvatting heeft bovendien ook de regelgever dan wel de regering consequent uitgedragen (zie 6.5-6.6; 6.9; 6.13, 6.15 en 6.20; zie ook 6.39 voor het regime vanaf 1 januari 2026).
softbounce(e-mailpostbus van de belanghebbende is vol) [162] . Denkbaar is dat in een geval dat onder categorie 3 valt, de termijnoverschrijding verschoonbaar is, maar ik meen dat daarover geen algemene uitspraken kunnen worden gedaan, omdat het te zeer van de omstandigheden van het geval afhangt, niet alleen omstandigheden die direct betrekking hebben op de oorzaak van de niet-ontvangst, maar ook de overige omstandigheden van het geval. Anders gezegd: conform HR BNB 2024/61 zal per geval moet worden beoordeeld of art. 6:11 Awb Pro van toepassing is, waarbij van belang is dat er enige ruimte is om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het bezwaarschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de belanghebbende toe te rekenen. [163] Dat is ook conform de benadering van het CBb in de in 7.11-7.13 aangehaalde rechtspraak.
MijnOverheid’ afleid dát maatregelen zijn of worden genomen. [164] Ik noem in het bijzonder een Kamerbrief van 16 juli 2018, waarin melding wordt gemaakt van twee manieren waarmee invulling is gegeven aan een motie [165] in verband met de problematiek dat sommige burgers een actief MijnOverheid-account hebben maar zonder een e-mailadres te hebben achtergelaten. De ene manier ziet op het activatieproces en de andere manier op het attenderen van bestaande gebruikers: [166]
mutantis mutandisvan toepassing in het kader van de beoordeling of aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht. De regeling in de Kw kent immers niet een bepaling die vergelijkbaar is met art. 6:11 Awb Pro. Het is in dat opzicht niet verwonderlijk dat sommige fiscale feitenrechters (kennelijk) van opvatting zijn dat het überhaupt niet relevant is of een notificatie is ontvangen (zie 7.20). Ik merk verder op dat een aandachtspunt is of en zo ja in hoeverre de in art. 7(2) Kw opgenomen verweerbeperking (zie 4.6-4.8) van toepassing is. Ik geef hierna mijn analyse aan de hand van dezelfde categorieën gevallen zoals onderscheiden in 8.28 en in dezelfde volgorde als hiervoor.
eerstehoudt verband met het vereiste in art. 1 Kw Pro dat de belastingschuldige “in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen” (zie 4.4). In HR BNB 2022/140 heeft de Hoge Raad – zij het in het kader van art. 49(1) IW – overwogen dat “[d]e belastingschuldige (…) pas in gebreke [kan] zijn met de betaling van zijn belastingschuld nadat (…) hij in de gelegenheid is geweest van [de belastingaanslag] kennis te nemen” en dat “[d]e belastingschuldige (…) in de regel in de gelegenheid is om kennis te nemen van een belastingaanslag als die aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (…)” (zie 4.5). De bedoelde mogelijkheid is dat een uitzondering op die laatste regel wordt aanvaard in het geval geen notificatie is verstuurd terwijl de belanghebbende zich daarvoor wel heeft aangemeld. Tegen deze mogelijkheid zou kunnen worden ingebracht dat het niet-versturen van een notificatie niet wegneemt dat de belastingschuldige strikt genomen wel in de gelegenheid is om kennis te nemen van de belastingaanslag, namelijk door in te loggen op de berichtenbox. Deze tegenwerping spreekt mij echter niet aan, omdat juist als een belanghebbende zich heeft aangemeld voor notificaties het weinig realistisch is dat hij geregeld uit eigen initiatief inlogt.
tweedemogelijkheid zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel. In de kern: het is in strijd met het vertrouwensbeginsel als geen notificatie wordt verstuurd, terwijl de belanghebbende zich daarvoor wel heeft aangemeld. Als het niet-versturen van een notificatie er vervolgens toe leidt dat de belanghebbende de belastingaanslag niet tijdig betaalt, staat het vertrouwensbeginsel eraan in de weg dat dit aan de belanghebbende wordt tegengeworpen. Het kan ook worden benaderd vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel: als niet een notificatie is verstuurd, hoewel de belanghebbende zich daarvoor wel heeft aangemeld, dan verzet het zorgvuldigheidsbeginsel zich ertegen dat de invorderingsambtenaar aanmaningskosten in rekening brengt. [170]
verzonden.
Alswordt uitgegaan van de opvatting van de CRvB zou de controleplicht dus ook gelden voor de heffingsambtenaar c.q. de invorderingsambtenaar die door plaatsing in de berichtenbox een naheffingsaanslag parkeerbelasting wil bekendmaken aan een belanghebbende die niet heeft geopteerd om notificaties te willen ontvangen. In dat opzicht ben ik het niet eens met de Invorderingsambtenaar die als relevant verschil ziet dat het hier gaat om een fiscale zaak. [175]
9.Beschouwing over de zaak
Het middel als zodanig
nietaannemelijk heeft gemaakt dat een e-mailnotificatie
niet is verzonden.