Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2024, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam over een naheffingsaanslag parkeerbelasting werd behandeld.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Het arrest is op 23 januari 2026 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarbij het beroep van belanghebbende tegen het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam is verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd.