ECLI:NL:HR:2026:1013
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring cassatie in zaak box 3-heffing 2017-2020
Belanghebbende heeft cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2017 tot en met 2020.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld aan de hand van de gronden die zijn vermeld in een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2026:907). De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep, waarop belanghebbende schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van belanghebbende falen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Er is geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. De uitspraak bevestigt de toepassing van het evenredigheidsbeginsel en de mogelijkheid van rechtstreekse toetsing in de context van de box 3-heffing en de Massaalbezwaarplusprocedure.
Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de box 3-heffing voor 2017-2020 blijft ongewijzigd.