4.3Middel 6, onderdeel A, richt zich tegen het hiervoor in 3.3.7 vermelde oordeel van de Rechtbank met het betoog dat de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling in strijd is met het verbod van discriminatie. Het middel faalt in zoverre. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de groep niet-bezwaarmakers feitelijk en rechtens niet in dezelfde positie verkeert als de groep bezwaarmakers.
Het evenredigheidsbeginsel
4.4.1De middelen 4 en 5 richten zich tegen de hiervoor in 3.3.11 vermelde verwerping door de Rechtbank van het beroep dat belanghebbende heeft gedaan op het evenredigheidsbeginsel.
4.4.2Volgens middel 5 dient de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling buiten toepassing te worden gelaten wegens een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering, omdat bij de totstandkoming van die uitzondering de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, niet kenbaar zijn meegewogen. Voor het geval moet worden aangenomen dat de gerechtvaardigde belangen van de betrokken belastingplichtigen wel kenbaar zijn meegewogen, betoogt het middel dat de gevolgen van die afweging voor deze belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie worden gediend. De budgettaire en uitvoeringstechnische belangen van de Staat wegen volgens het middel niet op tegen het gerechtvaardigde belang van de betrokken belastingplichtigen om een belasting te betalen op basis van werkelijk rendement, in plaats van een grondrechtenschendende heffing over inkomen dat niet daadwerkelijk is genoten.
4.4.3Het middel gaat terecht ervan uit dat in dit geval, naar aanleiding van het beroep van belanghebbende op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel, in de eerste plaats dient te worden onderzocht of de door hem aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, kenbaar zijn meegewogen bij de totstandkoming van de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie.Een dergelijk onderzoek dient bij een niet als wetgeving in formele zin aan te merken algemeen verbindend voorschrift, zoals de Uitvoeringsregeling, niet alleen plaats te vinden indien het voorschrift een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen met zich brengt, maar ook indien het – zoals in dit geval – andere negatieve gevolgen voor de betrokken belastingplichtigen heeft.
4.4.4De uitzondering met betrekking tot nieuwe jurisprudentie in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling, die blijft binnen de regelgevende bevoegdheid die in artikel 9.6, lid 2, Wet IB 2001 aan de Minister van Financiën is gegeven, vormt inhoudelijk een voortzetting van voorheen door de Belastingdienst gehanteerd beleid. Uit de opmerkingen van de Minister van Financiën, geciteerd in de onderdelen 5.22 en 5.23 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, moet worden afgeleid dat dit beleid is gebaseerd op een afweging van algemene overwegingen van rechtszekerheid en praktische overwegingen enerzijds, en het financiële belang van burgers bij een ambtshalve vermindering anderzijds.Daarom moet worden aangenomen dat de gerechtvaardigde belangen van de betrokken belastingplichtigen zijn meegewogen bij de totstandkoming van de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie, en ook kenbaar zijn meegewogen bij de codificatie daarvan in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling. Daardoor is geen sprake van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering van artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling, wat tot gevolg zou hebben dat niet kan worden beoordeeld of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
4.4.5De Hoge Raad komt daarmee toe aan toetsing van de uitzondering met betrekking tot nieuwe jurisprudentie aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Hij zal daarbij de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van die uitzondering beoordelen.De toetsing dient in dit geval materieel terughoudend te zijn, aangezien bij de totstandkoming van artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt.Een indringender toets is hier niet vereist, omdat geen sprake is van een regeling die in hoge mate ingrijpt in het leven van een belanghebbende.
4.4.6Met inachtneming daarvan komt de Hoge Raad tot de slotsom dat de uitzondering in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling met betrekking tot nieuwe jurisprudentie de toets aan het evenredigheidsbeginsel kan doorstaan. Op basis van een terughoudende beoordeling kan niet worden gezegd dat de nadelige gevolgen van die uitzondering voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, die zijn gelegen in algemene overwegingen van rechtszekerheid en praktische overwegingen (zie hiervoor in 4.4.4). Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de uitzondering geschikt en noodzakelijk is om die doelen te bereiken. Zij kan niet als onevenwichtig worden aangemerkt, mede gelet op het feit dat zij niet leidt tot een verschil in behandeling tussen gelijke gevallen (zie hiervoor in 4.3, slotzin).
4.4.7In het licht van wat hiervoor in 4.1.4 is overwogen, kan ook niet worden geoordeeld dat de uitzondering met betrekking tot nieuwe jurisprudentie in strijd is met het evenredigheidsbeginsel voor zover het, zoals hier, gaat om jurisprudentie waaruit een schending blijkt van fundamentele rechten uit het EVRM of een protocol daarbij.
4.4.8Ook in zoverre ziet de Hoge Raad geen aanleiding om terug te komen van zijn arrest van 20 mei 2022.
4.4.9Middel 5 faalt daarom voor zover het betoogt dat de regel die een uitzondering maakt ten aanzien van nieuwe jurisprudentie – artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling – in strijd is met het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel.
4.4.10Toetsing aan evenredigheidsvereisten die voortvloeien uit het EVRM en het EP, die een zeer ruime beoordelingsruimte laten aan de regelgever, leidt niet tot een andere uitkomst. De middelen falen daarom eveneens voor zover zij iets anders betogen.
4.4.11De middelen 4 en 5 falen (ook) voor zover zij de klacht inhouden dat toepassing van de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie in de bijzondere omstandigheden van dit geval een inbreuk vormt op het evenredigheidsbeginsel als ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur. Aangezien de afwijzingen van de verzoeken van belanghebbende om ambtshalve vermindering moeten worden aangemerkt als zogenoemde gebonden besluiten en zij hun grondslag vinden in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, geldt dat uitsluitend moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van dat algemeen verbindende voorschrift (artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling) in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden, waarbij het dan alleen nog gaat om de evenwichtigheid van die besluiten. De uitkomst van een besluit is onevenwichtig als de gevolgen ervan in de gegeven omstandigheden voor een belanghebbende onredelijk bezwarend zijn.Belanghebbende heeft geen feiten gesteld die zouden kunnen meebrengen dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor toepassing van de uitzondering in zijn geval onredelijk bezwarend zou zijn.
4.4.12Het hiervoor in 3.3.11 vermelde, door belanghebbende ingeroepen arrest van het EHRM in de zaak Grobelny tegen Polen maakt dat niet anders. De beslissing van het EHRM in dat arrest was namelijk gebaseerd op de bijzondere omstandigheden in die zaak, die voor de klager leidden tot een buitensporige individuele last. Zulke omstandigheden heeft belanghebbende in deze zaak evenmin gesteld.
4.4.13De middelen 4 en 5 falen daarom in hun geheel.
Overige klachten