ECLI:NL:HR:2026:1027

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
24/02074
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 236 RvArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen gezag van gewijsde in belastingrecht bij precariobelasting

Belanghebbende, een beheerder van elektriciteitsnetwerken, was het niet eens met een aanslag precariobelasting voor 2016 opgelegd door de gemeente Hulst. Het geschil betrof een deel van de kabels in gemeentegrond die volgens belanghebbende rechtens gedoogd moesten worden op grond van contractuele afspraken met de gemeente.

Eerder had het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat voor het jaar 2015 een vrijstelling van precariobelasting gold voor alle kabels met aansluiting op het netwerk van belanghebbende. De Hoge Raad had dat oordeel bevestigd. In de procedure over 2016 stelde belanghebbende dat dit eerdere oordeel gezag van gewijsde had en dat de aanslag daarom onterecht was.

Het hof oordeelde echter dat in het belastingrecht elke aanslag op zichzelf moet worden beoordeeld en dat het civielrechtelijke leerstuk van gezag van gewijsde niet van toepassing is. Het hof stelde dat alleen kabels behorende tot de aansluiting van het gemeentehuis en openbare verlichting gedoogplichtig zijn, en dat voor andere kabels precariobelasting verschuldigd is.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep ongegrond. De Hoge Raad benadrukt dat artikel 236 lid 1 Rv Pro, dat gezag van gewijsde regelt, niet van toepassing is op belastingrechtelijke procedures. De belastingrechter beoordeelt slechts de rechtmatigheid van de aanslag en stelt geen civielrechtelijke rechtsverhouding vast. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en goede procesorde staan het opleggen van de aanslag niet in de weg.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sluit de zaak af met bevestiging van het oordeel van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het civielrechtelijke leerstuk van gezag van gewijsde niet geldt in het belastingrecht, waardoor de aanslag precariobelasting 2016 terecht is opgelegd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02074
Datum26 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HULST
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 april 2024, nr. 22/00082 [1] , op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Hulst tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/1827) betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de precariobelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door C. Presilli en C.J.D. Warren, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst (hierna: het College), vertegenwoordigd door J.W. de Jong en T.W. Franssen, heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door C. Presilli en C.J.D. Warren, advocaten.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 4 juli 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende is werkzaam als beheerder van nutsnetwerken, onder meer voor elektriciteit. Zij is de eigenaar en beheerder van het elektriciteitsnetwerk in de gemeente Hulst (hierna: de gemeente).
2.2
In de ‘Aansluit- en transportovereenkomst afnemer’ (hierna: ATO) en in de ‘Overeenkomst inzake de aansluiting van openbare verlichting en transport van elektriciteit' (hierna: ATO-OV) zijn de afspraken opgenomen die de gemeente met een rechtsvoorganger van belanghebbende heeft gemaakt.
2.3
Op de ATO zijn ‘Algemene voorwaarden aansluiting en transport elektriciteit voor zakelijke afnemers’ (hierna: de Algemene voorwaarden) van toepassing. In de ATO-OV wordt verwezen naar de Algemene voorwaarden en is bepaald dat het daarin opgenomen artikel 5.1 van overeenkomstige toepassing is. In deze bepaling is geregeld dat de afnemer zal toestaan dat zowel voor hemzelf als ten behoeve van derden in, aan, op, onder of boven het perceel leidingen worden aangelegd en in stand worden gehouden.
2.4
De ATO geldt met ingang van 1 oktober 2008 en de ATO-OV met ingang van 7 april 2016. Tot 7 april 2016 golden tussen belanghebbende en de gemeente twee overeenkomsten uit 1984 inzake de aansluiting van openbare verlichting en transport van elektriciteit en een daarbij behorende algemene overeenkomst. De daarin geregelde rechten en verplichtingen wijken, voor zover hier van belang, niet af van de afspraken die met ingang van 7 april 2016 tussen hen zijn gemaakt in de ATO-OV.
2.5
Op grond van de Verordening precariobelasting 2016 van de gemeente (hierna: de Verordening 2016) is aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag in de precariobelasting opgelegd voor het hebben van kabels in de gemeentegrond. Die aanslag is in deze procedure in geschil. Het geschil betreft een deel van de kabels waarop de aanslag betrekking heeft, te weten de kabels die zich bevinden in de kadastrale percelen van de gemeente met een aansluiting op het door belanghebbende beheerde net en die niet behoren tot de aansluiting van het gemeentehuis of van de openbare verlichting. Het geschil gaat over de vraag of dat deel van de kabels, gelet op de hiervoor in 2.2 tot en met 2.4 genoemde overeenkomsten en algemene voorwaarden, kan worden aangemerkt als “voorwerpen, welke rechtens moeten worden gedoogd” als bedoeld in artikel 4, aanhef en letter c, van de Verordening 2016, zodat daarop een vrijstelling van toepassing is.
2.6.1
Eerder is aan belanghebbende voor het jaar 2015 een vergelijkbare aanslag opgelegd op grond van de Verordening precariobelasting 2015 van de gemeente. Die verordening is, voor zover hier van belang, gelijkluidend aan de Verordening 2016. Gelet op wat hiervoor in 2.4 is vermeld, wijken de tussen belanghebbende en de gemeente in het jaar 2015 geldende contractuele afspraken, voor zover hier van belang, niet af van de afspraken die tussen hen golden in 2016.
2.6.2
Met betrekking tot de aanslag voor het jaar 2015 heeft het gerechtshof Den Haag op grond van uitleg van die contractuele afspraken geoordeeld dat de vrijstelling met betrekking tot “voorwerpen, welke rechtens moeten worden gedoogd” van toepassing is op alle kabels van belanghebbende die zich bevinden in de kadastrale percelen van de gemeente met een aansluiting op het door belanghebbende beheerde net, waardoor ter zake daarvan geen precariobelasting kan worden geheven. [3] Dat oordeel betreft mede het deel van de kabels waarover deze procedure met betrekking tot het jaar 2016 gaat. De Hoge Raad heeft het tegen deze uitspraak van het gerechtshof Den Haag door het College ingestelde beroep in cassatie ongegrond verklaard met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. [4]

3.De oordelen van het Hof

3.1.1
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende voor het jaar 2016 terecht is aangeslagen voor de precariobelasting met betrekking tot het hiervoor in 2.5 bedoelde deel van de kabels die zich bevinden in de kadastrale percelen van de gemeente met een aansluiting op het door belanghebbende beheerde net.
3.1.2
Belanghebbende betoogde primair dat het gerechtshof Den Haag en de Hoge Raad hierover al hebben geoordeeld in de procedure over de aanslag in de precariobelasting 2015. Aangezien die oordelen onherroepelijk zijn geworden, is er volgens belanghebbende geen plaats voor een nieuwe materiële beoordeling van hetzelfde geschil. Volgens haar heeft het rechterlijke oordeel in die zaak gezag van gewijsde gekregen. Zij acht het bovendien in strijd met een goede procesorde en met algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat de heffingsambtenaar bij het opleggen van een aanslag in de precariobelasting voor een nieuw belastingjaar afwijkt van een eerdere onherroepelijke rechterlijke beslissing, voor zover het gaat om een onderliggend materieel geschil waarover reeds in een onherroepelijke rechterlijke uitspraak in andersluidende zin is geoordeeld.
3.1.3
Voor het geval er wel plaats zou zijn voor een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil, hield partijen – subsidiair – verdeeld ten aanzien van welke kabels van belanghebbende in de hiervoor in 3.1.1 bedoelde percelen een gedoogplicht op de gemeente rust. Het gaat daarbij om de vraag in hoeverre een gedoogplicht ten aanzien van het hebben van kabels in gemeentegrond voortvloeit uit de hiervoor in 2.2 tot en met 2.4 genoemde overeenkomsten en daarbij behorende algemene voorwaarden. De heffingsambtenaar stelde zich op het standpunt dat een gedoogplicht op grond van deze overeenkomsten slechts geldt voor de kabels die behoren tot ‘de aansluiting’ van het gemeentehuis en van de openbare verlichting, zoals bedoeld in die overeenkomsten. Belanghebbende verdedigde daarentegen een ruime uitleg van de gedoogplicht. Volgens belanghebbende ging het om alle kabels binnen het desbetreffende perceel, inclusief de hoofdleiding.
3.2
Het Hof heeft met betrekking tot het primaire geschilpunt vooropgesteld dat het vaste jurisprudentie is dat in het belastingrecht elke aanslag op zichzelf moet worden beschouwd. Voor de beoordeling of een bestreden aanslag ‘rechtens’ juist is, is volgens het Hof dan ook niet van belang of deze in overeenstemming is met andere onaantastbaar geworden beslissingen van de belastingrechter. Het Hof heeft daartoe verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0929. Naar het oordeel van het Hof betreffen de onherroepelijk vaststaande rechterlijke uitspraken over de aanslag in de precariobelasting voor het jaar 2015 uitsluitend die aanslag, en gaan ze het bereik van die aanslag niet te buiten. In zoverre bestaat het civielrechtelijke leerstuk van het gezag van gewijsde niet in het belastingrecht, aldus het Hof. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waarop belanghebbende zich beroept, staan naar het oordeel van het Hof niet in de weg aan het opleggen van de aanslag precariobelasting voor het jaar 2016. Evenmin staat de goede procesorde in de weg aan het inhoudelijk beoordelen door het Hof van de aanslag in de precariobelasting voor het jaar 2016, aldus het Hof.
3.3
Het Hof heeft het geschil daarom inhoudelijk beoordeeld en heeft daarbij de overeenkomsten die gelden tussen belanghebbende en de gemeente zo uitgelegd dat alleen een gedoogplicht bestaat voor de daarin bedoelde ‘aansluitingen’, zodat de heffingsambtenaar uitsluitend gehouden is het daartoe behorende deel van de kabels buiten de heffingsgrondslag van de precariobelasting te houden.
3.4
Daarmee heeft het Hof anders geoordeeld dan het gerechtshof Den Haag in de procedure over de aanslag voor het jaar 2015. Het Hof heeft namelijk de heffing van precariobelasting wél aanvaard met betrekking tot – niet tot de aansluiting behorende – kabels die zich bevinden in de kadastrale percelen van de gemeente met een aansluiting op het door belanghebbende beheerde net.

4.Beoordeling van de klachten

4.1.1
De eerste klacht bestrijdt het oordeel van het Hof dat het niet is gebonden aan de onherroepelijke uitspraken van het gerechtshof Den Haag en de Hoge Raad in de fiscale procedure over de aanslag voor het jaar 2015.
4.1.2
Naar het Hof terecht heeft vooropgesteld, is het vaste jurisprudentie dat in het belastingrecht elke aanslag op zichzelf moet worden beschouwd. [5] Het gezag van gewijsde, waarop belanghebbende zich beroept, is een civielrechtelijk leerstuk dat is geregeld in artikel 236, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Die bepaling heeft slechts betrekking op beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de burgerlijke rechter. In wetgeving over het fiscale procesrecht is geen vergelijkbare bepaling opgenomen. Er bestaat geen aanleiding voor overeenkomstige toepassing van artikel 236, lid 1, Rv op onherroepelijke beslissingen van de belastingrechter over een civielrechtelijke rechtsverhouding. Het in belastingzaken toepasselijke stelsel van wettelijke regels van procesrecht, zoals neergelegd in de Awb en de AWR, biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Overeenkomstige toepassing van die bepaling is ook niet in overeenstemming met de taak van de belastingrechter. Die rechter heeft in beginsel niet tot taak om civielrechtelijke rechtsverhoudingen vast te stellen. Zijn taak in een procedure over een belastingaanslag is om een oordeel te geven over de rechtmatigheid van die aanslag, en aldus de rechtsverhouding tussen de belastingplichtige en de heffende overheid vast te stellen voor zover het die aanslag betreft. Dat wordt niet anders indien die rechter daarbij een civielrechtelijke vraag – in dit geval de vraag over de hiervoor in 2.5 bedoelde gedoogplicht – moet beantwoorden bij wijze van voorvraag. Beantwoording van zo’n voorvraag brengt niet mee dat de belastingrechter een civielrechtelijke rechtsverhouding vaststelt.
4.1.3
De omstandigheid dat het gerechtshof Den Haag in een uitspraak in een procedure over een andere aan belanghebbende opgelegde belastingaanslag al een oordeel heeft gegeven over de ook in deze procedure ter discussie staande civielrechtelijke gedoogplicht van de gemeente met betrekking tot kabels van belanghebbende, geeft dan ook geen aanleiding om hier af te wijken van de regel dat elke aanslag op zichzelf moet worden beoordeeld. Dat wordt niet anders doordat het cassatieberoep tegen die uitspraak van het gerechtshof Den Haag door de Hoge Raad ongegrond is verklaard, en die uitspraak daarmee onherroepelijk is geworden als gevolg van een beslissing van de hoogste rechter in belastingzaken.
4.2
De tweede klacht bestrijdt de verwerping door het Hof van belanghebbendes beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de goede procesorde. De derde klacht gaat over de reikwijdte van de gedoogplicht, en betreft de uitleg van de contractuele afspraken die gelden tussen belanghebbende en de gemeente. Beide klachten falen. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.

Voetnoten

3.Gerechtshof Den Haag 26 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2784.
4.HR 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:926.
5.Zie HR 14 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0512, rechtsoverweging 3.5.