ECLI:NL:HR:2026:1141

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/03111
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40, lid 2, Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie tegen WOZ-beschikking en OZB-aanslag 2021

Belanghebbende heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een WOZ-beschikking en een aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.

De Hoge Raad heeft het middel van belanghebbende beoordeeld aan de hand van een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2026:949) en concludeert dat het middel faalt. De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het hof in stand en wordt de WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelastingen bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-beschikking en OZB-aanslag 2021 blijven in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03111
Datum3 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024, nr. BK-ARN 22/1854 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 21/4738) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 17 oktober 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]

2.Beoordeling van het middel

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nr. 24/03073, ECLI:NL:HR:2026:949, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2025:1124, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1074.