ECLI:NL:HR:2026:949

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
24/03073
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen schending toezendplicht Wet WOZ inzake indexeringspercentages

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor 2021 en verzocht om inzage in de onderbouwing van de gehanteerde indexeringspercentages. De heffingsambtenaar verstrekte het gemiddelde indexeringspercentage voor het objecttype en waardegebied per e-mail.

Het Hof oordeelde dat de indexeringspercentages en de onderbouwing daarvan niet onder de toezendplicht van artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ vallen, zodat geen schending van die plicht had plaatsgevonden. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.

De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het Hof over de reikwijdte van artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ juist was, maar dat het beroep in cassatie niet slaagt omdat de gevraagde indexeringspercentages reeds in de bezwaarfase waren verstrekt. Klachten over gebruikmaking van transactiedata konden niet in cassatie worden behandeld omdat dit een feitelijke beoordeling vereist.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de toezendplicht van artikel 40 lid 2 Wet WOZ wordt niet geschonden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03073
Datum3 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024, nr. BK-ARN 22/1855 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 21/4925) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 17 oktober 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] in [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 bij beschikking vastgesteld op € 556.000. Het bij die beschikking behorende taxatieverslag vermeldt van de gehanteerde vergelijkingsobjecten onder meer de verkoopprijs en de datum van de transportakte (hierna: de transactiedata).
2.2
Belanghebbende heeft in bezwaar met een beroep op artikel 40 van Pro de Wet WOZ verzocht om stukken te verstrekken, waaronder (de onderbouwing van) de indexering naar waardepeildatum. De heffingsambtenaar heeft vervolgens per e-mail het door hem gebruikte, voor het objecttype en waardegebied van de woning gemiddelde indexeringspercentage verstrekt.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de heffingsambtenaar de toezendplicht van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden door niet de onderbouwende (markt)gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de gehanteerde indexeringspercentages zijn bepaald.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de indexeringspercentages en de onderbouwing daarvan niet onder de reikwijdte van die bepaling vallen, zodat de heffingsambtenaar niet verplicht is om deze gegevens aan belanghebbende te verstrekken. Van een schending van de toezendplicht als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is volgens het Hof daarom geen sprake.

4.Beoordeling van het middel

4.1
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof.
4.2.1
Het middel is terecht voorgesteld voor zover het klaagt over het onjuiste oordeel van het Hof dat indexeringspercentages in zijn algemeenheid niet vallen onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. [3] Het middel kan echter niet tot cassatie leiden omdat de heffingsambtenaar de gevraagde indexeringspercentages in de bezwaarfase heeft verstrekt (zie hiervoor in 2.2).
4.2.2
Voor zover het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de onderbouwing van de indexeringspercentages niet valt onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, faalt het op de gronden vermeld in rechtsoverweging 5.16.10 van het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297.
4.3
Voor zover het middel opkomt tegen de hiervoor in 2.1 vermelde gebruikmaking van transactiedata faalt het. Deze klacht kan niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht, aangezien dit een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in de cassatieprocedure geen plaats is.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2025:1123, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1074.
3.Vgl. HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, rechtsoverweging 5.16.10.