ECLI:NL:HR:2026:1246

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/00089 bis
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 267 VWEUArt. 19a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperking proceskostenvergoeding bij bpm en wijst cassatieberoep toe

Belanghebbende heeft cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake de proceskostenvergoeding in een zaak over belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm). De Hoge Raad heeft eerder op 17 april 2026 geoordeeld dat het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven en de Staatssecretaris in de kosten veroordeeld.

In deze uitspraak gaat de Hoge Raad nader in op de omvang van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft nadere gegevens verstrekt over het bedrijfsmodel van de gemachtigde, die op basis van no cure no pay werkt. Belanghebbende betoogt dat de beperking van de proceskostenvergoeding strijdig is met het recht op effectieve rechtsbescherming zoals gewaarborgd in artikel 47 van Pro het Handvest van de EU en dat de Hoge Raad ten onrechte geen prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie.

De Hoge Raad overweegt dat de beperkingen van de proceskostenvergoeding in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm niet in strijd zijn met het Unierecht en het Handvest. De Hoge Raad bevestigt dat de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen beperkt is tot uitspraken zonder hoger beroep en dat de uitzonderingen van het Cilfit-arrest van toepassing zijn. De beperkingen zijn proportioneel en gericht op het voorkomen van overcompensatie en overbelasting van de rechtspraak.

Belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd dat zijn situatie een bijzonder geval betreft dat een hogere vergoeding rechtvaardigt. De Hoge Raad berekent de proceskostenvergoeding conform de wettelijke regels en wijst het beroep in cassatie toe, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens wordt de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen met een proceskostenvergoeding van €421.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/00089 bis
Datum17 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 3 december 2024, nr. SGR 23/8208 V, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1.De loop van het geding in cassatie tot dusver

1.1
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:677 (hierna: het arrest van 17 april 2026), wordt verwezen naar dat arrest.
1.2
Bij het arrest van 17 april 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van de Rechtbank op het verzet niet in stand kan blijven. De Hoge Raad heeft verder beslist dat de Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
2. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure
2.1
Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).
2.2
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft bij bericht van 20 april 2026 van die gelegenheid gebruikgemaakt. De Staatssecretaris heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2.3.1
Belanghebbende heeft in het bericht van 20 april 2026 meegedeeld dat de gemachtigde, Hefna B.V., al jaren louter en alleen op basis van no cure no pay beroepsmatig rechtsbijstand verleent op het gebied van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm), dat Hefna B.V. voor de door haar in gerechtelijke beroepsprocedures verleende rechtsbijstand alleen betaald krijgt door “de organen van het Koninkrijk der Nederlanden”, en dat met die vergoedingen een boterham wordt verdiend. De motivatie van de gemachtigde om op basis van no cure no pay te werken is volgens belanghebbende erin gelegen dat justitiabelen die voor geringere bedragen door de heffende autoriteit in een gerechtelijke procedure worden betrokken, recht hebben op gepassioneerde rechtsbijstand zonder daarvoor voorafgaand betalingen te verrichten. Op deze wijze draagt het bedrijfsmodel van de gemachtigde eraan bij dat in Nederland op het gebied van de bpm het recht van de Unie correct ten uitvoer wordt gelegd.
2.3.2
Daarvan uitgaande betoogt belanghebbende in het bericht van 20 april 2026 – samengevat – dat het decimeren van de proceskostenvergoeding ten opzichte van die waarop volgens de hoofdregel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) door justitiabelen aanspraak kan worden gemaakt, strijd oplevert met het door artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Verder betoogt belanghebbende dat de Hoge Raad met zijn oordeel in het arrest van 17 januari 2025 dat artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) verenigbaar is met het Unierecht, artikel 267 VWEU Pro heeft geschonden door geen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, noch te motiveren welke van de drie zogenoemde ‘Cilfit-uitzonderingen’ op de verplichting om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen van toepassing waren.
2.4.1
Rechtzoekenden kunnen zich bij een geschil over een in artikel 26 AWR Pro omschreven belastingaanslag of voor bezwaar vatbare beschikking (waaronder de voldoening van belasting op aangifte wordt begrepen) overeenkomstig hoofdstuk 8 Awb tot de belastingrechter wenden zonder dat rechtsbijstand verplicht is. Voor de rechtzoekende die gebruik maakt van het in artikel 47 van Pro het Handvest neergelegde recht om zich in rechte te laten vertegenwoordigen en verdedigen, geldt dat het bij gebreke van een Unierechtelijke regeling in beginsel een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat is om regels te geven voor de vergoeding van onder meer kosten van rechtsbijstand die partijen in een dergelijke procedure hebben gemaakt.
2.4.2
De Hoge Raad heeft in de rechtsoverwegingen 3.7.1 en 3.7.2 van het arrest van 17 januari 2025 uiteengezet dat en waarom de op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm [1] (hierna: de WHpkv) ingevoerde beperkingen van proceskostenvergoedingen voor gerechtelijke procedures betreffende de bpm niet in strijd zijn met het beginsel van effectieve rechtsbescherming zoals bedoeld in artikel 47 van Pro het Handvest noch met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel of het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel.
2.4.3
In hetgeen belanghebbende in het bericht van 20 april 2026 over die beoordeling door de Hoge Raad heeft betoogd, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om tot heroverweging van dat oordeel over te gaan noch aanleiding om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Het bericht van 20 april 2026 geeft de Hoge Raad aanleiding nog wel het volgende te overwegen. De verplichting om in een zaak waarin een vraag over de uitlegging van Unierecht aan de orde is, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen, bestaat blijkens artikel 267, derde alinea, VWEU alleen voor nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, en dan alleen indien naar het oordeel van laatstbedoelde instanties op die verwijzingsplicht geen van de drie uitzonderingen van toepassing is als omschreven in punt 21 van het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, 283/81, ECLI:EU:C:1982:335. [2]
2.4.4
Naar het oordeel van de Hoge Raad is de rechtspraak van het Hof van Justitie zo evident dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan dat lidstaten vergoedingen voor kosten van rechtsbijstand kunnen beperken, mits deze beperkingen niet van dien aard zijn dat zij wezenlijk afbreuk doen aan het recht op effectieve rechtsbescherming van rechtzoekenden als bedoeld in artikel 47 van Pro het Handvest in samenhang gelezen met artikel 52, lid 1, van het Handvest. [3]
2.4.5
Zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.6 en 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025, heeft de wetgever met de WHpkv beoogd een einde te maken aan de overcompensatie die in geval van onverkorte toepassing van het Besluit optreedt bij het toekennen van proceskostenvergoedingen in zaken waarin een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, rechtsbijstand verleent op basis van een bedrijfsmodel waarin wordt opgetreden volgens het principe van no cure no pay en waarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Die beperkingen kunnen volgens de wetgever tevens eraan bijdragen dat overbelasting van de rechtspraak wordt voorkomen door procedures waarbij het belang van de betrokkene niet per se leidend is.
2.4.6
In aanmerking nemende de in rechtsoverwegingen 3.5.2 en 3.5.3 van het arrest van 17 januari 2025 bedoelde afbakening van de werkingssfeer van de WHpkv en artikel 19a van de Wet in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van het Besluit, kan niet worden gezegd dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen op het gebied van de bpm verder is gegaan dan nodig is om het hiervoor weergegeven doel te bereiken, of dat geen redelijke verhouding zou bestaan tussen die maatregel en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. De op grond van de WHpkv ingevoerde beperkingen van proceskostenvergoedingen gelden niet voor alle beroepsmatig optredende gemachtigden die op basis van no cure no pay rechtsbijstand verlenen, maar zijn beperkt tot beroepsmatig optredende gemachtigden die rechtsbijstand verlenen op basis van een bedrijfsmodel dat de in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025 bedoelde kenmerken vertoont, en daarmee overcompensatie ontvangen. Die beperkingen van het recht op vergoeding van kosten van rechtskundige bijstand zijn niet van dien aard dat zij voor rechtzoekenden in belastingzaken wezenlijk afbreuk doen aan het recht op effectieve rechtsbescherming, ook niet voor rechtzoekenden die over voldoende financiële middelen beschikken, maar vanwege een beperkt of (zeer) gering financieel belang aan bpm niet bereid zijn om al voorafgaand aan de gang naar de rechter enige bijdrage aan een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener voor zijn dienstverlening te betalen. De omstandigheid dat de desbetreffende rechtsbijstandverlener zich ten doel stelt op het gebied van de heffing van bpm een wezenlijke bijdrage te leveren aan een goede tenuitvoerlegging van het Unierecht door de Belastingdienst en de rechter, noopt niet tot een ander oordeel.
2.4.7
Anders dan belanghebbende in het bericht van 20 april 2026 kennelijk tot uitgangspunt neemt, volstaat het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop belanghebbende volgens artikel 8:75 Awb Pro en artikel 19a van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van het Besluit aanspraak kan maken, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, niet om te concluderen dat aan het Unierecht recht op een hogere vergoeding kan worden ontleend. Bijkomende omstandigheden kunnen echter in samenhang met dat feit tot een andere conclusie nopen op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit. [4] Hetgeen belanghebbende voor het overige in het bericht van 20 april 2026 aan omstandigheden heeft aangevoerd, geeft naar het oordeel van de Hoge Raad geen aanleiding om op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen dan de in dat besluit voorziene forfaitaire bedragen.
2.5
Belanghebbende heeft met betrekking tot het bedrijfsmodel van de gemachtigde geen nadere gegevens verstrekt ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad zal daarom ervan uitgaan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als zo’n bijzonder geval. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van artikel 19a van de Wet.
2.6
Bij de berekening van de vergoeding van de kosten van het geding in cassatie gaat de Hoge Raad van het volgende uit:
(i) drie proceshandelingen (indiening beroepschrift in cassatie, indiening conclusie van repliek en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken) en daarmee dus van 4,5 punt,
(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,
(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en
(iv) de vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een naheffingsaanslag in de bpm en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente) worden vernietigd of gewijzigd.
Dit een en ander komt neer op een proceskostenvergoeding van € 421.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet,
- verwijst het geding naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 289 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 421 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

1.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
2.Zie HvJ 24 maart 2026, Remling, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, punt 32.
3.Zie HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, rechtsoverwegingen 4.10.1 tot en met 4.10.6.
4.Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, rechtsoverweging 2.3.