ECLI:NL:HR:2026:1299

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
24/03743 bis
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 267 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad beslist over proceskostenvergoeding in belastingzaak personenauto’s en motorrijwielen

In deze zaak gaat het om het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de proceskostenvergoeding. De Hoge Raad heeft eerder op 27 februari 2026 een tussenarrest gewezen waarin werd bepaald dat de zaak door de Hoge Raad zelf zal worden afgedaan en een forfaitaire proceskostenvergoeding werd vastgesteld.

Belanghebbende heeft nadere gegevens verstrekt om aan te tonen dat sprake zou zijn van een bijzonder geval dat een hogere proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Hij voerde aan dat het decimeren van de vergoeding strijdig is met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en dat de Hoge Raad ten onrechte geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU heeft gesteld.

De Hoge Raad wijst deze bezwaren af en oordeelt dat het enkele feit dat de vergoeding slechts gedeeltelijk de werkelijk gemaakte kosten dekt, niet leidt tot een hogere vergoeding. Ook de overige aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen hogere vergoeding. De Hoge Raad wijzigt de kostenveroordeling door de Staatssecretaris van Financiën aan te wijzen als de partij die de kosten van het cassatiegeding moet dragen en stelt de vergoeding vast op € 421. Verder worden wettelijke rente en griffierecht toegewezen.

Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst een forfaitaire proceskostenvergoeding toe, waarbij de Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03743 bis
Datum17 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2024, nrs. BK-ARN 22/702 en BK-ARN 22/703 [1] , nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1.De loop van het geding in cassatie tot dusver

1.1
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:301 (hierna: het arrest van 27 februari 2026), wordt verwezen naar dat arrest.
1.2
Bij het arrest van 27 februari 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven en dat de Hoge Raad de zaak zal afdoen. Daarbij heeft de Hoge Raad beslist dat de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep wordt vastgesteld op € 1.868.
1.3
De Hoge Raad heeft, in onderdeel 5 (Proceskosten) van het arrest van 27 februari 2026, verder beslist dat de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Hoge Raad is gebleken dat niet de Staat maar de Staatssecretaris van Financiën had moeten worden aangewezen als de partij die deze kosten moet vergoeden. Dat wordt in dit arrest hersteld.
2. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure
2.1
In het arrest van 27 februari 2026 heeft de Hoge Raad overwogen dat, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid zal worden gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).
2.2
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft bij bericht van 27 februari 2026 van die gelegenheid gebruikgemaakt.
2.3.1
Belanghebbende betoogt in het bericht van 27 februari 2026 – samengevat – dat het decimeren van de proceskostenvergoeding ten opzichte van die waarop volgens de hoofdregel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) door justitiabelen aanspraak kan worden gemaakt, strijd oplevert met het door artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Verder betoogt belanghebbende dat de Hoge Raad met zijn oordeel in het arrest van 17 januari 2025 dat artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) verenigbaar is met het Unierecht, artikel 267 VWEU Pro heeft geschonden door geen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, noch te motiveren welke van de drie zogenoemde ‘Cilfit-uitzonderingen’ op de verplichting om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen van toepassing waren.
2.3.2
Dit betoog faalt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 2.4.1 tot en met 2.4.6 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1246. De Hoge Raad ziet daarom in hetgeen belanghebbende aanvoert, geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
2.4
Anders dan belanghebbende in het bericht van 27 februari 2026 kennelijk tot uitgangspunt neemt, volstaat het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop belanghebbende volgens artikel 19a van de Wet in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van het Besluit aanspraak kan maken, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, niet om te concluderen dat aan het Unierecht recht op een hogere vergoeding kan worden ontleend. Bijkomende omstandigheden kunnen echter in samenhang met dat feit tot een andere conclusie nopen op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit. [2] Hetgeen belanghebbende voor het overige in het bericht van 27 februari 2026 aan omstandigheden heeft aangevoerd, geeft naar het oordeel van de Hoge Raad geen aanleiding om op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen dan de in dat besluit voorziene forfaitaire bedragen.
2.5
Belanghebbende heeft met betrekking tot het bedrijfsmodel van de gemachtigde geen nadere gegevens verstrekt ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad zal daarom ervan uitgaan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als zo’n bijzonder geval. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van artikel 19a van de Wet.
2.6
In onderdeel 5 van het arrest van 27 februari 2026 is vermeld dat de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Aangezien echter uit datzelfde arrest volgt dat de Inspecteur wordt veroordeeld tot het vergoeden van een hoger bedrag aan proceskosten voor het geding voor de Rechtbank dan waartoe de Rechtbank hem had veroordeeld, moet niet de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) maar de Staatssecretaris de kosten van het geding in cassatie dragen.
2.7
Bij de berekening van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure gaat de Hoge Raad van het volgende uit:
(i) drie proceshandelingen (beroepschrift in cassatie, conclusie van repliek, en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken) en daarmee van 4,5 punt;
(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie;
(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit;
(iv) de vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet, aangezien dit arrest niet inhoudt dat het bestreden besluit (een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen) wordt vernietigd of gewijzigd.
Dit een en ander komt neer op een proceskostenvergoeding van € 421.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarbij de Inspecteur is veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 875,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- bepaalt dat over een deel van dat bedrag, ter grootte van € 993, wettelijke rente is verschuldigd vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank (2 maart 2022) tot aan de dag van algehele voldoening,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 279 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 421 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, rechtsoverweging 2.3.