ECLI:NL:HR:2026:137
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatie over schenkbelasting en bedrijfsopvolgingsregeling met betrekking tot indirecte bezitseisen
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over een geschil inzake schenkbelasting en de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De belanghebbende, vertegenwoordigd door D.F. Anholts, had beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, die op 12 maart 2024 had geoordeeld over een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de schenkbelasting. De zaak betreft de vraag of de belanghebbende recht heeft op toepassing van de BOR, die vereist dat de schenker de aandelen ten minste vijf jaar in bezit heeft gehad en dat de vennootschap ten minste vijf jaar een onderneming heeft gedreven. De Hoge Raad heeft eerder, op 21 april 2023, een verwijzingsarrest gedaan, waarin de zaak werd terugverwezen naar het Gerechtshof voor nader onderzoek naar de activiteiten van de dochtermaatschappijen van de schenker. Het Hof oordeelde dat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de activiteiten van de dochtermaatschappijen één objectieve onderneming vormden, en dat de BOR slechts kon worden toegepast op 49 procent van de waarde van de aandelen die aan belanghebbende zijn geschonken. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond, waarbij het de bewijslast bij de belanghebbende legde om aan te tonen dat aan de indirecte bezitseisen was voldaan. De Hoge Raad oordeelde dat de stelling van de belanghebbende dat er sprake was van één onderneming niet voldoende was onderbouwd, en dat de toepassing van de BOR in dit geval beperkt moest blijven tot het percentage waartoe de schenker voorafgaand aan de splitsing gerechtigd was.