ECLI:NL:HR:2026:137
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking bedrijfsopvolgingsregeling bij splitsing onderneming
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de schenkbelasting na een juridische splitsing van een onderneming. De moeder van belanghebbende hield indirect een belang in een vennootschap die activiteiten ontplooide in hoor- en optiekcentra. Na een splitsing werden deze activiteiten verdeeld, waarna belanghebbende aandelen kreeg geschonken in een dochtermaatschappij.
De Inspecteur stelde dat slechts 49% van de aandelen aanspraak maakte op de BOR vanwege de bezitseis van vijf jaar. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de activiteiten één onderneming vormden en dat de BOR daarom slechts op 49% van toepassing was.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat bij uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid in een onderneming een nieuwe bezitstermijn begint te lopen. De tegemoetkoming in de Uitvoeringsregeling geldt alleen voor de directe bezitstermijn en niet voor de indirecte bezitstermijn. De bewijslast ligt bij belanghebbende. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de bedrijfsopvolgingsregeling slechts voor 49% van de aandelen kan worden toegepast vanwege de splitsing en bezitseis.