ECLI:NL:HR:2020:990
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij schenking aandelen binnen concernstructuur
Belanghebbende ontving in 2014 een schenking van aandelen in Beheer BV, die op haar beurt aandelen hield in diverse dochtervennootschappen die materiële ondernemingen dreven. De Rechtbank oordeelde dat de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) niet van toepassing was op de aandelen in de dochtervennootschappen vanwege het niet voldoen aan de vijfjaarstermijn per afzonderlijke onderneming.
Belanghebbende stelde dat de toetsing op geconsolideerd niveau van Beheer BV moest plaatsvinden, waarbij de activiteiten van de dochtervennootschappen als gedeelten van één onderneming moesten worden beschouwd. De Hoge Raad bevestigde dat de vijfjaarstermijn voor de ondernemingseis op het niveau van Beheer BV moet worden beoordeeld, maar dat de Rechtbank terecht had geoordeeld dat de dochtervennootschappen als afzonderlijke ondernemingen moesten worden gezien.
Daarnaast wees de Hoge Raad het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat de situatie van een houdstermaatschappij die aandelen koopt niet gelijk is aan een fiscaal geruisloze doorschuiving waarvoor een tegemoetkoming geldt. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de Rechtbank bleef staan.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.