ECLI:NL:HR:2026:235

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
24/00576
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 lid 2 BWArt. 7:408 lid 1 BWArt. 7:411 lid 1 BW
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over kostenvergoeding bezwaar bij no cure no pay-afspraak

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast en legde aanslagen op. Belanghebbende maakte bezwaar en vroeg vergoeding van de kosten. De heffingsambtenaar handhaafde de beschikking, waarna belanghebbende beroep instelde. De rechtbank oordeelde in het voordeel van belanghebbende en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten in de beroepsfase.

In hoger beroep kreeg belanghebbende ook een vergoeding voor de bezwaarfase toegekend, waarbij het hof zich baseerde op een no cure no pay-afspraak met de toenmalige gemachtigde, afgeleid van algemene voorwaarden op diens website. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze gegevens uit eigen beweging heeft verkregen zonder partijen in de gelegenheid te stellen hierop te reageren, wat in strijd is met het hoor en wederhoor-beginsel.

De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat over de kosten van bezwaar gaat en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling, waarbij ook het toepasselijke wettelijke kader rond opzegging van opdracht en vergoeding volgens artikel 7:411 BW Pro in aanmerking moet worden genomen.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaart het cassatieberoep gegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest over de kosten van bezwaar wegens schending van hoor en wederhoor en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/00576
Datum13 februari 2026
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2024, nr. BK-23/655 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/784) betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om een veroordeling in de kosten van bezwaar.

1.Geding in cassatie

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] in [Q] voor het kalenderjaar 2021 bij beschikking vastgesteld op € 731.000 (hierna: de WOZ-beschikking). Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing eigenaren voor het kalenderjaar 2021 aan belanghebbende opgelegd.
2.2
De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de WOZ-beschikking en de aanslagen bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-beschikking en de aanslagen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.3
De nieuwe gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft in beroep het door de nieuwe gemachtigde ingenomen standpunt dat de waarde van de woning diende te worden bepaald op € 601.000, gevolgd.
2.4
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase.
2.5
In hoger beroep heeft belanghebbende onder meer betoogd dat de Rechtbank de heffingsambtenaar ook had moeten veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Het Hof heeft alsnog aan belanghebbende een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase. Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat uit de met de toenmalige gemachtigde gemaakte ‘no-cure-no-pay-afspraak’ volgt dat belanghebbende die gemachtigde een vergoeding moet betalen. Dit oordeel heeft het Hof gebaseerd op algemene voorwaarden vermeld op de website van de toenmalige gemachtigde.

3.Beoordeling van de klachten

3.1
De eerste klacht betoogt dat het Hof kennelijk zelf op de website van de toenmalige gemachtigde heeft gezocht naar de algemene voorwaarden van die gemachtigde en zonder te letten op de ingangsdatum van die voorwaarden. In de algemene voorwaarden die voor de onderhavige procedure van kracht zijn, ontbreekt het bepaalde waarop het Hof zijn oordeel over de inhoud van de ‘no-cure-no-pay-afspraak’ heeft gebaseerd, aldus de klacht.
3.2
Uit de processtukken volgt dat de algemene voorwaarden waarop het Hof zich heeft gebaseerd, niet tot de door partijen aangevoerde feitelijke gegevens behoren. Het Hof heeft kennelijk uit eigen beweging de website van de toenmalige gemachtigde geraadpleegd en daaraan ontleende feitelijke gegevens aan zijn beslissing ten grondslag gelegd zonder partijen in de gelegenheid te stellen van die gegevens kennis te nemen en zich daarover desgewenst uit te laten. Hierdoor heeft het Hof gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. [2] De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo’n gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is. [3]
3.3
Gelet op wat hiervoor in 3.2 is overwogen, slaagt de eerste klacht. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nadere beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat aan de bijstand in bezwaar voor belanghebbende geen kosten zijn verbonden. [4]
3.4
Het bepaalde in artikel 7:411, lid 1, BW, dat gelet op artikel 7:400, lid 2, BW van regelend recht is, zou daarbij aan de orde kunnen komen. Voor dat geval verdient het volgende opmerking. Het staat een opdrachtgever op grond van artikel 7:408, lid 1, BW in beginsel te allen tijde vrij om een overeenkomst van opdracht op te zeggen. Indien een opzegging door de opdrachtgever voortijdig is, moet worden beoordeeld of de opdrachtnemer op grond van artikel 7:411, lid 1, BW aanspraak kan maken op gemist loon vanwege dat voortijdig einde van de overeenkomst. Dit geldt ook bij een ‘no-cure-no-pay-afspraak’. [5] Het enkele feit dat partijen niet expliciet zijn overeengekomen dat bij voortijdige opzegging een vergoeding dient te worden betaald voor de werkzaamheden, is onvoldoende om het wettelijke uitgangspunt van artikel 7:411 BW Pro buiten werking te stellen.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover het betreft de beslissing over de kosten van bezwaar, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5612, rechtsoverweging 3.6.2.
3.Vgl. HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, rechtsoverweging 2.4.
4.Vgl. HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1251, rechtsoverweging 4.2.
5.Vgl. HR 23 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4626, rechtsoverweging 3.5.