ECLI:NL:HR:2026:239

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
24/04506
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 FwArt. 7:625 BWArt. 3:288 BWArt. 6:37 BWArt. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële beslissing over wettelijke rente en verhoging op boedelschulden loon bij faillissement

Deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad betreft de vraag of de faillissementsboedel wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd is over loon dat op grond van artikel 40 lid 2 Faillissementswet Pro (Fw) als boedelschuld wordt aangemerkt, ook indien dit loon valt onder de loongarantieregeling van de Werkloosheidswet (WW). Tevens wordt beoordeeld welke rang deze vorderingen hebben en of de curator werknemers uit eigen beweging moet informeren over hun aanspraken.

De feiten betreffen het faillissement van Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V. (BAH) in juli 2018, waarbij 110 werknemers in dienst waren. De curator heeft de arbeidsovereenkomsten opgezegd en de loongarantieregeling van het UWV is toegepast. Er ontstond discussie over de verschuldigdheid van wettelijke rente en verhoging over de boedelschulden en de rang van deze vorderingen.

De Hoge Raad oordeelt dat wettelijke rente over boedelschulden loon verschuldigd is, ook als het loon onder de loongarantieregeling valt. De wettelijke verhoging is eveneens verschuldigd, tenzij de rechter deze matigt vanwege faillissement of betalingsonmacht. De wettelijke verhoging valt onder het preferentievoordeel van artikel 3:288 BW Pro, maar de wettelijke rente niet. De curator is niet verplicht uit eigen beweging werknemers te informeren, maar kan dit wel doen als goede taakuitoefening.

De beslissing bevestigt dat faillissement geen grond is voor opschorting van loonbetalingen en dat de curator de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst moet respecteren. De rangorde van vorderingen en de matigingsbevoegdheid van de rechter worden verduidelijkt, wat belangrijke gevolgen heeft voor de afwikkeling van loonvorderingen in faillissementen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de curator wettelijke rente en verhoging verschuldigd is over boedelschulden loon, met preferente rang voor de verhoging en concurrente rang voor de rente, en dat de curator niet verplicht is werknemers uit eigen beweging te informeren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/04506
Datum13 februari 2026
PREJUDICIËLE BESLISSING
In de zaak van
FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
EISENDE partij in eerste aanleg,
hierna: FNV,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele,
tegen
R.J.C. GEELEN, in hoedanigheid van curator in het faillissement van Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V.,
kantoorhoudende te Venlo,
GEDAAGDE partij in eerste aanleg,
hierna: de curator,
advocaten: T.T. van Zanten en L. van den Reek.

1.De prejudiciële procedure

Bij vonnis van 11 december 2024 in de zaak C/03/320026 / HA ZA 23-297 heeft de rechtbank Limburg op de voet van art. 392 Rv Pro prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
Namens partijen zijn schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv Pro ingediend door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen op de wijze zoals in de conclusie vermeld onder 13.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Deze uitspraak gaat over de vraag of de faillissementsboedel met betrekking tot niet-tijdig betaald loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro als boedelschuld kwalificeert en dat valt onder de loongarantieregeling van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet, wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging op de voet van art. 7:625 BW Pro verschuldigd is en – zo ja – welke rang de desbetreffende vorderingen hebben. Aan de orde komt verder of het faillissement een grond voor matiging van de wettelijke verhoging vormt en of de curator gehouden is uit eigen beweging werknemers over hun aanspraken te informeren.
2.2
In deze prejudiciële procedure gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:
(i) Op 20 juli 2018 is aan Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V. (hierna: BAH) voorlopige surseance van betaling verleend. Op 24 juli 2018 is de surseance ingetrokken en is BAH gelijktijdig in staat van faillissement verklaard. De curator treedt op als curator in dit faillissement.
(ii) De curator heeft de onderneming van BAH voortgezet.
(iii) Ten tijde van het uitspreken van het faillissement waren er 110 werknemers bij BAH in dienst.
(iv) Vanwege het ontbreken van enig vrij actief stond het de curator (in zijn aanvankelijke hoedanigheid van bewindvoerder) niet vrij om het loon over juli 2018 te betalen. Dit loon zou normaliter op vrijdag 20 juli 2018 zijn uitbetaald en moest op grond van de toepasselijke cao uiterlijk op 31 juli 2018 zijn betaald.
(v) Na het uitspreken van het faillissement is de curator op de voet van art. 40 Fw Pro overgegaan tot opzegging van alle hem bekende arbeidsovereenkomsten. De datum van uitdiensttreding varieerde per medewerker. Het merendeel van de werknemers is per 30 augustus 2018 of 5 september 2018 uit dienst getreden. De curator heeft als uitgangspunt gehanteerd dat de eindafrekening van de werknemers binnen één maand na uitdiensttreding en dus uiterlijk op 30 september 2018 betaald had moeten zijn.
(vi) Op 2 augustus 2018 zijn namens het UWV op de locatie van BAH intakegesprekken met de werknemers van BAH gevoerd in het kader van de loongarantieregeling. Het UWV is vervolgens overgegaan tot uitvoering van de loongarantieregeling. Een deel van de werknemers had recht op meer loon dan het UWV op grond van de loongarantieregeling uitkeert. Deze vorderingsrechten bestaan in het faillissement van BAH hoofdzakelijk uit verlofrechten, conform art. 61 lid Pro 1, onder c, en lid 3 WW aangeduid als ‘vakantiegeld’. Vooruitlopend op de eindbeschikking van het UWV heeft de curator de daarop gebaseerde boedelvorderingen van de werknemers berekend en per brief van 30 oktober 2018 aan de werknemers gecommuniceerd.
(vii) Enkele werknemers hebben de curator verzocht om de ten behoeve van hen genoteerde vorderingen, zoals door de curator aan hen gecommuniceerd, aan te passen aan de hand van de door het UWV aan hen toegestuurde eindbeschikking. Deze verzoeken zijn van geval tot geval beoordeeld en hebben in enkele gevallen geleid tot aanpassing van de lijst met boedelschulden.
(viii) Per 3 april 2023 heeft de curator de volgende boedelvorderingen in euro genoteerd in het financieel verslag in het faillissement van BAH:
Boedelvorderingen per groep HoofdsomUWV-premie wg-deel SV (hoog preferent) 87.766,38Vordering UWV (preferent) 824.893,18Vordering werknemers (preferent) 131.565,10UWV-pensioenpremie (concurrent) 102.877,79Overig (concurrent) 2.218,82Totaal Hoofdsom 1.159.296,89
(ix) Per 3 april 2023 bedroeg het boedelsaldo in het faillissement van BAH € 1.153.801,77.
(x) Om vast te kunnen stellen welke bedragen op welke momenten aan individuele werknemers door het UWV zijn betaald, zijn meer (persoons)gegevens nodig dan door het UWV aan de curator zijn verstrekt.
2.3
FNV vordert in deze procedure dat voor recht wordt verklaard:
– dat de curator de wettelijke rente en de wettelijke verhoging verschuldigd is over de boedelschuld aan de werknemers uit hoofde van art. 40 lid 2 Fw Pro,
– dat zowel de vordering ter zake van de wettelijke rente als die ter zake van de wettelijke verhoging als boedelschuld zijn te kwalificeren waaraan de preferentie van art. 3:288 onder Pro e BW verbonden is, en
– dat de curator uit hoofde van zijn wettelijke taak gehouden is werknemers uit eigen beweging omtrent hun aanspraak op de boedel uit hoofde van de wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging ingevolge art. 7:625 BW Pro te informeren.
2.4
De rechtbank [1] heeft onder meer het volgende overwogen:
Met betrekking tot wettelijke rente:
“3.11. Naar voorlopig oordeel van de rechtbank moet FNV worden gevolgd in haar stellingname dat de boedel ook in dit geval wettelijke rente verschuldigd is over de boedelschuld aan de werknemers ex artikel 40 lid 2 Fw Pro, ook voor dat deel dat valt onder de aanspraken die op grond van de loongarantieregeling door het UWV worden overgenomen.
3.12.
Vast staat immers dat in dit geval verzuim bestaat ten aanzien van de voldoening van de loonvorderingen van de werknemers over de maand juli 2018 en daarmee dat de werknemers van BAH aanspraak kunnen maken op schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Uit het arrest X C.V. / Curatoren Paperlinx (r.o. 3.2.4) volgt dat als verzuim bestaat ten aanzien van de voldoening van een boedelvordering, en de schuldeiser recht heeft op schadevergoeding in de vorm van wettelijke (handels)rente (art. 6:74 BW Pro in verbinding met art. 6:119 e.v. BW), de aard van een boedelvordering als onmiddellijke aanspraak op de boedel meebrengt dat ook de met de boedelvordering verbonden verplichting tot betaling van deze rente moet worden aangemerkt als boedelschuld. Het enkele feit dat UWV in het kader van de loongarantieregeling (een deel van) de loonaanspraken van de werknemers heeft overgenomen, laat onverlet dat de werknemers in verband met te late betaling van het loon recht hebben op schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
(…)”
Met betrekking tot de wettelijke verhoging:
“3.12. (…)
Met betrekking tot de wettelijke verhoging overweegt de rechtbank dat deze een andere functie heeft dan schadevergoeding wegens te late betaling, namelijk aansporing tot tijdige betaling. De lijn van de Hoge Raad dat nevenvorderingen het lot van de hoofdvordering volgen ziet alleen op het schadevergoedende aspect. De Curator wijst hier ook op. De rechtbank is om die reden van oordeel dat voor het antwoord op de vraag of de wettelijke verhoging is verschuldigd naar de reden van de te late betaling dient te worden gekeken. Nu in het geval van faillissement sprake is van betalingsonmacht in plaats van -onwil, ziet de rechtbank reden voor matiging, en wel tot nihil.”
Met betrekking tot de vraag of de curator gehouden is om werknemers uit eigen beweging te wijzen op hun aanspraak op wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging:
“3.17. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat voornoemde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Dit omdat een dergelijke verplichting voor de Curator naar het oordeel van de rechtbank niet uit het burgerlijk recht en evenmin uit het insolventierecht volgt. In het Nederlands burgerlijk recht wordt uitgegaan van een actieve houding van schuldeisers om hun (rente)vordering betaald te krijgen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet anders wanneer het gaat om een (werknemer als) boedelschuldeiser. Het desalniettemin aannemen van een dergelijke verplichting voor de Curator (op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid en/of het beginsel van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW Pro) zou naar het oordeel van de rechtbank niet stroken met voornoemd uitgangspunt aangaande een actieve houding van schuldeisers. Ook uit het insolventierecht kan een dergelijke verplichting voor de Curator niet worden afgeleid. De Curator is op grond van artikel 68 Fw Pro belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Uitgangspunt is dat een curator handelt in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Daarin past naar het oordeel van de rechtbank niet een verplichting voor de Curator om een individuele boedelschuldeiser actief te wijzen op renteaanspraken en/of een aanspraak op wettelijke verhoging.”
2.5
Vervolgens heeft de rechtbank op de voet van art. 392 Rv Pro de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:
1. Is de boedel wettelijke rente verschuldigd vanwege de niet-tijdige voldoening van het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro als boedelschuld wordt aangemerkt en dat valt onder de aanspraken die op grond van de loongarantieregeling door het UWV worden overgenomen?
2. Is de boedel de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro verschuldigd vanwege de niet-tijdige voldoening van het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro als boedelschuld wordt aangemerkt?
3. Is voor het antwoord op vraag 2 relevant of:
a. het aanspraken betreft die op grond van de loongarantieregeling door het UWV worden overgenomen: en/of
b. onzeker is of de boedel ten tijde van de slotuitdeling voldoende middelen zal hebben om met inachtneming van de tussen de boedelschuldeisers geldende onderlinge rangorde, de boedelschuld ex art. 40 lid 2 Fw Pro te voldoen?
4. Indien en voor zover het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt: in hoeverre is de omstandigheid dat sprake is van een faillissement een grond voor matiging als bedoeld in de laatste volzin van art. 7:625 lid 1 BW Pro?
5. Indien en voor zover het antwoord op vraag 1 en/of 2 bevestigend luidt: welke rang komt toe aan de desbetreffende vordering?
6. Is een curator uit hoofde van zijn wettelijke taak gehouden werknemers uit eigen beweging omtrent hun aanspraak op de boedel uit hoofde van wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro te informeren?

3.Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1.1 Een faillissement brengt op zichzelf geen wijziging in de verbintenissen uit een overeenkomst, daaronder begrepen een ten tijde van de faillietverklaring lopende wederkerige duurovereenkomst zoals een arbeidsovereenkomst. [2] Wel is in art. 40 lid 1 Fw Pro aan de curator en aan de werknemer de mogelijkheid gegeven om de arbeidsovereenkomst op te zeggen met inachtneming van een termijn van ten hoogste zes weken, en zijn ingevolge art. 40 lid 2 Fw Pro het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden van de dag van de faillietverklaring af boedelschuld. Zolang de arbeidsovereenkomst nog niet is geëindigd, duurt de arbeidsverhouding zoals die voor het faillissement gold, ongewijzigd voort tussen de gefailleerde als werkgever enerzijds en de werknemer anderzijds. [3]
3.1.2 Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (hierna: WW) heeft als opschrift: ‘Overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen’. Op grond van deze zogenoemde loongarantieregeling heeft een werknemer recht op uitkering, voor zover hier van belang, indien hij van een werkgever die in staat van faillissement is verklaard, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft (art. 61 WW Pro). Het recht op uitkering omvat, kort gezegd, het loon over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaand aan het einde van de dienstbetrekking of de opzegging daarvan, het loon over de opzegtermijn met een maximum van zes weken, alsmede het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de aan derden in verband met de dienstbetrekking verschuldigde bedragen over ten hoogste het jaar voorafgaand aan het einde van de dienstbetrekking (art. 64 lid 1 WW Pro). De uitkering komt niet in alle gevallen geheel overeen met hetgeen de werknemer over de desbetreffende periode van de werkgever te vorderen heeft. Zo is bijvoorbeeld de hoogte van de uitkering beperkt tot, kort gezegd, anderhalf maal het maximum dagloon krachtens de sociale verzekeringswetten (art. 64 lid 4 WW Pro). Voor zover met een uitkering door het UWV vorderingen van de werknemer op de werkgever worden voldaan, gaan deze vorderingen over op het UWV (art. 66 lid 1 WW Pro). Zolang geen uitkering heeft plaatsgevonden, is de werkgever het loon, het vakantiegeld en de vakantiebijslag derhalve nog verschuldigd aan de werknemer.
Vraag 1: wettelijke rente
3.2.1 Vraag 1 luidt als volgt:
1. Is de boedel wettelijke rente verschuldigd vanwege de niet-tijdige voldoening van het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro als boedelschuld wordt aangemerkt en dat valt onder de aanspraken die op grond van de loongarantieregeling door het UWV worden overgenomen?
3.2.2 Een schuldenaar is als schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een verbintenis tot betaling van een geldsom de wettelijke rente over die geldsom verschuldigd over de tijd dat hij met de voldoening daarvan in verzuim is geweest (art. 6:119 lid 1 BW Pro).
3.2.3 Als verzuim bestaat ten aanzien van de voldoening van loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is, moet ook de daarmee verbonden verplichting tot betaling van wettelijke rente – die ontstaat als gevolg van niet-naleving door de curator van een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting – worden aangemerkt als boedelschuld. [4]
3.2.4 De vraag of verzuim bestaat ten aanzien van de vordering tot betaling van loon, moet worden beantwoord aan de hand van de arbeidsovereenkomst en de op verzuim toepasselijke wettelijke bepalingen. [5] Een gebrek aan geldmiddelen levert geen overmacht op. Dit geldt ook voor loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is. [6]
3.2.5 Voor het antwoord op de vraag of verzuim bestaat, is niet van belang of de werknemer, in geval van faillissement van de werkgever, voor de hem door de werkgever verschuldigde bedragen ook jegens het UWV recht heeft op uitkering op grond van de loongarantieregeling. Het bestaan van een aanspraak jegens het UWV rechtvaardigt niet dat de tekortkoming om het loon tijdig te voldoen, de werkgever niet wordt toegerekend.
3.2.6 Het bestaan van de loongarantieregeling vormt voor de curator niet een redelijke grond, als bedoeld in art. 6:37 BW Pro, om te twijfelen aan wie hij het loon moet betalen, en is voor hem dus geen grond voor opschorting van de op hem rustende verplichting om het loon uit te betalen.
De tweede vraag en de derde vraag: de wettelijke verhoging
3.3.1 De tweede vraag en de derde vraag betreffen de wettelijke verhoging, bedoeld in art. 7:625 BW Pro. Deze vragen lenen zich voor gezamenlijke beantwoording en luiden als volgt:
2. Is de boedel de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro verschuldigd vanwege de niet-tijdige voldoening van het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro als boedelschuld wordt aangemerkt?
3. Is voor het antwoord op vraag 2 relevant of:
a. het aanspraken betreft die op grond van de loongarantieregeling door het UWV worden overgenomen: en/of
b. onzeker is of de boedel ten tijde van de slotuitdeling voldoende middelen zal hebben om met inachtneming van de tussen de boedelschuldeisers geldende onderlinge rangorde, de boedelschuld ex art. 40 lid 2 Fw Pro te voldoen?
3.3.2 Art. 7:625 lid 1 BW Pro bepaalt, voor zover hier van belang:
“Voor zover het in geld vastgesteld loon (…) niet wordt voldaan uiterlijk de derde werkdag na die waarop (…) de voldoening had moeten geschieden, heeft de werknemer, indien dit niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen, aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Deze verhoging bedraagt voor de vierde tot en met de achtste werkdag vijf procent per dag en voor elke volgende werkdag een procent, met dien verstande dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde te boven zal gaan. Niettemin kan de rechter de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen.”
3.3.3 De wettelijke verhoging is bedoeld als een prikkel voor werkgevers om het loon tijdig te betalen. [7]
3.3.4 In faillissement duurt de arbeidsverhouding zoals die voor het faillissement gold, ongewijzigd voort zolang de arbeidsovereenkomst nog niet is geëindigd (zie hiervoor in 3.1.1). Voor zover het loon over de periode vanaf de dag van faillietverklaring niet uiterlijk op de in art. 7:625 lid 1 BW Pro bedoelde werkdag wordt voldaan, heeft de werknemer derhalve, indien dit niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen, aanspraak op de wettelijke verhoging. Voor de beoordeling of het niet-voldoen kan worden toegerekend, geldt de maatstaf van art. 6:75 BW Pro. [8] Verwijtbaarheid is voor toerekening niet vereist. Een gebrek aan geldmiddelen, dan wel onzekerheid daaromtrent zoals bedoeld in vraag 3 onder b, staat aan toerekening aan de werkgever niet in de weg (zie hiervoor in 3.2.4).
3.3.5 Als het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is, niet uiterlijk op de in art. 7:625 lid 1 BW Pro bedoelde werkdag wordt voldaan, moet – overeenkomstig hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen met betrekking tot wettelijke rente – ook de daarmee verbonden verplichting tot betaling van de wettelijke verhoging worden aangemerkt als boedelschuld.
3.3.6 Voor de verschuldigdheid van de wettelijke verhoging is niet van belang of voor de aanspraak op loon waarop de verhoging betrekking heeft, ook jegens het UWV aanspraak bestaat op een uitkering op grond van de loongarantieregeling. Het bestaan van een aanspraak jegens het UWV laat onverlet dat het niet-voldoen de werkgever kan worden toegerekend en dat de curator niet bevoegd is met een beroep op art. 6:37 BW Pro de verplichting tot uitbetaling van het loon op te schorten (zie hiervoor in 3.2.5-3.2.6). Ook kan niet in zijn algemeenheid gezegd worden dat in faillissement de strekking van de wettelijke verhoging als prikkel tot nakoming zozeer zijn betekenis verliest dat de werknemer om die reden geen aanspraak heeft op de wettelijke verhoging met betrekking tot loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is.
De vierde vraag: matiging
3.4.1 De vierde vraag luidt als volgt:
4. Indien en voor zover het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt: in hoeverre is de omstandigheid dat sprake is van een faillissement een grond voor matiging als bedoeld in de laatste volzin van art. 7:625 lid 1 BW Pro?
3.4.2 Uit hetgeen hiervoor in 3.3.2-3.3.6 is overwogen, volgt dat het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt en dat derhalve wordt toegekomen aan vraag 4.
3.4.3 De rechter kan de wettelijke verhoging op grond van art. 7:625 lid Pro 1, derde volzin, BW beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen. De rechter kan de verhoging, als hem dat met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt, ook op nihil stellen. [9] De rechter kan oordelen dat faillissement of betalingsonmacht van de werkgever grond is voor matiging. Gelet op het discretionaire karakter van de matigingsbevoegdheid leent de beantwoording van de vierde vraag zich niet voor nadere concretisering in hoeverre en onder welke omstandigheden een faillissement of betalingsonmacht van de werkgever een grond voor matiging oplevert.
De vijfde vraag: de rang van de boedelvordering
3.5.1 Vraag 5 luidt:
5. Indien en voor zover het antwoord op vraag 1 en/of 2 bevestigend luidt: welke rang komt toe aan de desbetreffende vordering?
3.5.2 Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.6 en 3.3.2-3.3.6 is overwogen, volgt dat het antwoord op vraag 1 en vraag 2 bevestigend luidt en dat derhalve wordt toegekomen aan vraag 5.
3.5.3 Zowel voor wettelijke rente als voor de wettelijke verhoging die verschuldigd is met betrekking tot loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is, geldt dat de desbetreffende verplichting boedelschuld is (zie hiervoor in 3.2.3 en 3.3.5).
3.5.4 Indien het actief van de boedel niet toereikend is om alle boedelschulden te voldoen, moeten die schulden naar vaste rechtspraak in beginsel naar evenredigheid van de omvang van elke schuld worden voldaan, behoudens de daarvoor geldende wettelijke redenen van voorrang. [10]
3.5.5 Wettelijke redenen van voorrang zijn te vinden in titel 10 (Verhaalsrecht op goederen) van Boek 3 BW. Daartoe behoort art. 3:288 BW Pro, dat, voor zover van belang, als volgt luidt:
“De bevoorrechte vorderingen op alle goederen zijn de vorderingen ter zake van:
(…)
e. al hetgeen een werknemer over het lopende en het voorafgaande kalenderjaar in geld op grond van de arbeidsovereenkomst van zijn werkgever te vorderen heeft, alsmede de bedragen door de werkgever aan de werknemer in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd uit hoofde van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de arbeidsovereenkomst;
(…).”
3.5.6 Voor de invoering van art. 3:288 BW Pro in 1992 bepaalde art. 1195 (oud) BW, voor zover van belang, het volgende:
“De bevoorregte inschulden op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen zijn de hierna vermelde (…):
(…)
6°. Het loon van arbeiders over het verschenen jaar, en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag der verhoging van dat loon ingevolge artikel 1638q, alsmede het bedrag der uitgaven, door de arbeider voor de werkgever gedaan, mitsgaders de bedragen, door de werkgever aan de arbeider krachtens het bepaalde in de zevende Titel A van het Derde Boek in verband met de beëindiging der dienstbetrekking verschuldigd;
(…).”
Dit voorrecht omvatte derhalve met zoveel woorden ook de wettelijke verhoging van art. 1638q (oud) BW, de voorloper van art. 7:625 BW Pro.
3.5.7 Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:288 BW Pro blijkt dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd en dat naar de bedoeling van de wetgever ook de wettelijke verhoging van art. 7:625 BW Pro onder het voorrecht van art. 3:288, aanhef en onder e, BW valt. [11]
3.5.8 Wettelijke rente over loon valt niet onder art. 3:288, aanhef en onder e, BW, ook niet als dat loon op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:288, aanhef en onder e, BW blijkt niet dat het voorrecht mede betrekking heeft op wettelijke rente over loon. Wettelijke rente over loon valt evenmin onder een van de andere wettelijke voorrechten. De desbetreffende vordering is derhalve een concurrente boedelvordering.
De zesde vraag: informatieplicht
3.6.1 Vraag 6 luidt:
6. Is een curator uit hoofde van zijn wettelijke taak gehouden werknemers uit eigen beweging omtrent hun aanspraak op de boedel uit hoofde van wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro te informeren?
3.6.2 De curator is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel (art. 68 Fw Pro). Een behoorlijke taakuitoefening kan meebrengen dat de curator die bekend is met het bestaan van een boedelschuld waarmee, naar hij weet of grond heeft te vermoeden, de desbetreffende schuldeiser zelf niet bekend is, de schuldeiser op de hoogte stelt van de mogelijkheid om daarop jegens de boedel aanspraak te maken. Voor een geval als in deze zaak aan de orde is volstaat in dit verband een kennisgeving door de curator aan de werknemer – bijvoorbeeld ter gelegenheid van of kort na de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator – dat hij voor het loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover jegens de boedel aanspraak op betaling kan maken.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.2.2-3.2.6, 3.3.3-3.3.6, 3.4.3, 3.5.3-3.5.8 en 3.6.2 weergegeven wijze;
- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv Pro op € 1.800,-- aan de zijde van FNV en op € 1.800,-- aan de zijde van de curator.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
13 februari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Limburg 11 december 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:10155.
2.HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108 ([…]/Tideman q.q.), rov. 3.6.1-3.6.2, HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:665 (Van der Maas q.q./Heineken), rov. 3.4.2.
3.Vgl. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1994 (Curatoren PaperLinX), rov. 3.2.1.
4.HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1994 (Curatoren PaperLinX), rov. 3.2.4; HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108 ([…]/Tideman q.q.), rov. 3.7.1.
5.Vgl. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1994 (Curatoren PaperLinX), rov. 3.2.3.
6.Vgl. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1994 (Curatoren PaperLinX), rov. 3.2.6.
7.HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:304 (Datawell), rov. 3.4.3.
8.Kamerstukken II 1993/94, 23438, nr. 3, p. 23.
9.Vgl. HR 13 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC3330, rov. 3.5.
10.HR 28 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1243 (De Ranitz q.q./Ontvanger), rov. 3.5; vgl. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1994 (Curatoren PaperLinX), rov. 3.2.5.
11.Parl. Gesch. Boek 3, p. 878-879.