ECLI:NL:HR:2026:453
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslastverdeling bij waardebepaling gecorrigeerde vervangingswaarde WOZ
Belanghebbende, eigenaar van een onroerende zaak gebruikt voor landbouwonderwijs, betwistte de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde voor 2021. De rechtbank stelde de waarde vast op € 2.616.000, lager dan de oorspronkelijke beschikking van € 2.920.000. Belanghebbende ging in hoger beroep en stelde een lagere waarde van € 2.433.000 voor, ondersteund door een herziene taxatiekaart die afweek van de kengetallen uit de geldende Taxatiewijzer.
Het hof oordeelde dat belanghebbende de bewijslast draagt om de afwijking van de Taxatiewijzer aannemelijk te maken en concludeerde dat zij daarin niet was geslaagd, waardoor de waarde van de rechtbank bleef gelden. Belanghebbende stelde in cassatie dat het hof de bewijslast onjuist had verdeeld.
De Hoge Raad overwoog dat omdat de heffingsambtenaar geen hoger beroep instelde tegen de rechtbankuitspraak, het oordeel van de rechtbank als gegeven moet worden beschouwd. Hierdoor rust op belanghebbende, die een lagere waarde bepleit dan de rechtbank, de bewijslast om die lagere waarde aannemelijk te maken. De Hoge Raad verwierp het middel en verklaarde het beroep ongegrond.
De uitspraak bevestigt de toepassing van het beslisschema voor bewijslastverdeling bij WOZ-waardebepaling en benadrukt dat afwijkingen van taxatiewijzers door belanghebbende moeten worden onderbouwd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende de bewijslast draagt voor een lagere WOZ-waarde dan door de rechtbank vastgesteld.