Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.Beslissingen van het hof naar aanleiding van verzoeken van de verdediging
it must be held that art 31 of Pro Directive 2014/41 is also intended to protect the rights of persons affected by such a measure’.
communicatieadresvan de in de interceptieopdracht genoemde persoon op wie de interceptie betrekking heeft,
in gebruikis op het grondgebied van een andere lidstaat (de “in kennis gestelde lidstaat”) (...).’ (onderstreping raadsman)
subjectof the interception is located (...).’ (onderstreping raadsman)
‘interception of telecommunications’ referred to in Article 31of that directive, that is to say, interceptions which do not require technical assistance from the Member State on whose territory the subject of the interception is located,
is not covered by an EIO.’
verkrijging, waarvan het OM zélf zegt: dat was niet binnen het JIT. Dus ook daarvan is geen sprake (en als dat wel zo was: dan nog geldt het Nederlandse recht via art. 5.2.2 Sv).
also to ensure that the guaranteed level of protection in that Member State with regard to the interception of telecommunications is not undermined. Therefore, in so far as a measure for the interception of telecommunications amounts to an interference with the right to respect for the private life and communications – enshrined in Article 7 of the Charter – of the target of the interception (see, to that effect, judgment of 17 January 2019, Dzivev and Others, C-310/16, EU:C:2019:30, paragraph 36), it must be held that
Article 31 of Directive 2014/41 is also intended to protect the rights of persons affected by such a measure, an objective which extends to the use of the data for the purposes of criminal prosecution in the notified Member State.’ (onderstreping raadsman)
Het EOB omvat alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van Pro de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (“de overeenkomst”), en in Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad, (...).
gebruiken. De vragen zien dus niet op de wijze waarop de Franse autoriteiten de Encrochat gegevens hebben
verkregen. Aan het arrest van het Hof van Justitie zijn dus evenmin argumenten te ontlenen teneinde, zoals de verdediging blijkens de verzoeken voor ogen heeft, tot nader onderzoek over te (kunnen) gaan naar de wijze waarop de Encrochat door de Franse autoriteiten zijn
verkregen.
gebruikvan de verkregen Encrochat gegevens in strafrechtelijke procedures in de verzoekende staat moet kunnen aanvechten.
4.Juridisch kader
overdrachtvan dat bewijsmateriaal – dus de overdracht van bewijsmateriaal ten behoeve van een ander onderzoek dan het onderzoek waarin dat bewijsmateriaal is verkregen (vgl. artikel 126dd Sv) – en niet om de voorwaarden die gelden op het gebied van de
vergaringvan dat bewijsmateriaal.
de tenuitvoerlegging van het EOB, bepaalt artikel 9 lid 1 Richtlijn Pro 2014/41/EU – voor zover hier van belang – dat de tenuitvoerlegging plaatsvindt op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als wanneer de betrokken onderzoeksmaatregelen waren bevolen door een autoriteit van de uitvoerende lidstaat. Daarnaast neemt de uitvoerende autoriteit de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht, voor zover Richtlijn 2014/41/EU niet anders bepaalt en mits deze vormvoorschriften en procedures niet strijdig zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende lidstaat (vgl. artikel 9 lid 2 Richtlijn Pro 2014/41/EU). Bij de uitvoering van het EOB is het de uitvoerende lidstaat onder de in artikel 10 Richtlijn Pro 2014/41/EU omschreven voorwaarden toegestaan een andere dan de in het EOB genoemde onderzoeksmaatregel toe te passen, dan wel de gevraagde bijstand niet te verlenen.
Ten tweede houden de overwegingen van het Hof van Justitie in dat de rechter in de uitvaardigende lidstaat wel mag toetsen of is voldaan aan de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB, waaronder ook de evenredigheid daarvan ten opzichte van het doel van het onderzoek.
Ten derde overweegt het Hof van Justitie dat, als in de uitvaardigende lidstaat ten behoeve van een strafzaak gebruik wordt gemaakt van het bewijsmateriaal dat door middel van een EOB is verkregen, in die strafprocedure de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure moeten zijn gewaarborgd. Dit betekent dat de verdachte op doeltreffende wijze commentaar moet kunnen (doen) leveren op dat materiaal. Als dat niet is gewaarborgd, moet het betreffende materiaal worden uitgesloten van het bewijs.
5.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
In Frankrijk is onderzoek gedaan naar het bedrijf EncroChat. In januari 2020 is door de Franse rechter toestemming gegeven om op basis van een Franse opsporingsbevoegdheid een interceptietool te plaatsen op de voor EncroChat-communicatie gebruikte server in Roubaix (Frankrijk). Met deze tool is in de periode van 1 april 2020 tot en met 20 juni 2020 live informatie van EncroChat-telefoons, ook van EncroChat-telefoons die zich in Nederland bevonden, verzameld. De tool is op basis van Franse wettelijke bevoegdheden ingezet door de Franse autoriteiten. Met het oog op de uitwisseling van de door de inzet van de interceptietool verkregen EncroChat-gegevens hebben Nederland en Frankrijk een overeenkomst voor een gemeenschappelijk onderzoeksteam gesloten.
In februari 2020 is in Nederland het opsporingsonderzoek 26Lemont gestart met het oog op de verzameling van gegevens en de verwerking en (nadere) analyse, verdere verwerking en gebruik van de uit/via Frankrijk te verkrijgen data van, onder meer, (NN-)gebruikers van EncroChat. Het openbaar ministerie heeft in maart 2020 – dus voorafgaand aan het via het interceptiemiddel verzamelen van informatie door de Franse autoriteiten – een vordering ingediend bij de rechter-commissaris om een machtiging te verstrekken voor het geven van een bevel tot het binnendringen en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 126uba Sv, en tot het opnemen van (tele)communicatie, als bedoeld in artikel 126t Sv. De rechter-commissaris heeft deze machtiging verleend op 27 maart 2020, onder een aantal door de rechter-commissaris geformuleerde voorwaarden voor, kort gezegd, het gebruik van de vergaarde informatie in Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken.
Op 1 juli 2020 is aan de rechter-commissaris verzocht om gegevens uit het onderzoek 26Lemont te mogen delen ten behoeve van het onderzoek 26Sassenheim, waarin [medeverdachte] verdachte was. De rechter-commissaris heeft met dit verzoek ingestemd.
(i)aan die verzoeken door de verdediging als uitgangspunt ten grondslag is gelegd dat – mede gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van 30 april 2024 in de zaak C-670/22 – artikel 31 lid 1 Richtlijn Pro 2014/41/EU met zich brengt dat de Franse autoriteiten de interceptie van de mede zich in Nederland bevindende EncroChat-toestellen vooraf hadden moeten melden aan de Nederlandse autoriteiten en dat, nu dit is uitgebleven, de verdediging in de gelegenheid moet worden gesteld om onderzoek te (doen) verrichten naar de rechtmatigheid van die interceptie;
(ii)gelet op artikel 3 Richtlijn Pro 2014/41/EU het verkrijgen van bewijs en de uitwisseling en overdracht daarvan tussen twee (of meer) lidstaten die een gemeenschappelijk onderzoeksteam vormen, niet door Richtlijn 2014/41/EU worden beheerst, en dat de genoemde uitspraak van het Hof van Justitie niet tot een ander resultaat leidt;
(iii)ook anderszins zich geen grond heeft voorgedaan op grond waarvan moet worden geoordeeld dat bij het werken met een gemeenschappelijk onderzoeksteam zoals in deze zaak heeft plaatsgevonden, een notificatieverplichting is geschonden in verband met de interceptie van zich in Nederland bevindende (telefoon)toestellen.
Artikel 3 Richtlijn Pro 2014/41/EU houdt in dat het EOB alle onderzoeksmaatregelen omvat “met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van Pro de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (...) en in Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad, behalve met het oog op de toepassing van artikel 13, lid 8, van de overeenkomst en artikel 1, lid 8, van het kaderbesluit”. Deze laatstgenoemde uitzondering heeft betrekking op het – zich hier niet voordoende – geval waarin het gemeenschappelijk onderzoeksteam rechtshulp nodig heeft van een andere lidstaat dan de lidstaten die dat onderzoeksteam hebben ingesteld.
Gelet hierop zijn de voorschriften van Richtlijn 2014/41/EU over het EOB niet van toepassing op de verkrijging van het bewijsmateriaal door Nederland als gevolg van de uitwisseling van de EncroChat-gegevens in het kader van het door Nederland en Frankrijk ingestelde gemeenschappelijk onderzoeksteam.
Het hof heeft vastgesteld dat in Nederland door het openbaar ministerie een machtiging van de rechter-commissaris is gevorderd voor het geven van een bevel tot het binnendringen en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 126uba Sv, en tot het opnemen van (tele)communicatie, als bedoeld in artikel 126t Sv, waarop die machtiging door de rechter-commissaris is verleend. Dit heeft plaatsgevonden voordat in Frankrijk is overgegaan tot de interceptie van EncroChat-toestellen, waaronder ook EncroChat-toestellen die zich in Nederland bevonden. Daarnaast is met het oog op de uitwisseling van de door de inzet van de interceptietool verkregen EncroChat-gegevens door Nederland en Frankrijk een overeenkomst gesloten voor een gemeenschappelijk onderzoeksteam. Hierbij was Nederland ook ervan op de hoogte dat communicatie van zich in Nederland bevindende EncroChat-toestellen zou worden onderschept. Uit dit alles volgt dat de interceptie van de EncroChat-toestellen, voor zover deze zich in Nederland bevonden, niet heeft plaatsgevonden buiten de wetenschap en de instemming van de Nederlandse autoriteiten om, en dat zich daarmee dus geen onregelmatigheden hebben voorgedaan die de rechtmatigheid van het gebruik van de aan de Nederlandse autoriteiten overgedragen onderzoeksresultaten raken.
6.Beoordeling van het twaalfde cassatiemiddel
7.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
8.Beslissing
14 april 2026.