Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
3.Het eerste middel
Het middel
Meta data
Onder het kopje ‘Meta data’ ten aanzien van de genoemde tijdstip 10.02 uur:
Meta-data
namens[betrokkene 1] bij de ontmoeting op [a-straat] geweest.
4.Het tweede middel
Het middel
[verdachte] heeft contacten met [betrokkene 2] en trawanten (onderzoek 26Leon).’ Zie p.54;
[verdachte] had in ieder geval ook contacten in Brabant met de [familie betrokkene 2] . Dat het hier om de [betrokkene 2] en zijn makkers gaat, blijkt uit onderzoek 26Leon. [verdachte] neemt samen met de club van [betrokkene 2] 4000kg af. [verdachte] bemiddelt als het ware tussen de organisatie van [medeverdachte 2] en zijn (dus [verdachte] , aldus het OM) club in het Brabantse/Oosten.’ Zie p. 64
Dat had [verdachte] ook al geregeld en kortgesloten met de criminele organisatie waar uit ook deel van uit maakte, namelijk die rond [betrokkene 2] .’ Zie p.86
Voeging einddossier 26Leon
NJ2014/441, m.nt. M.J. Borgers (rov. 2.59), waaruit volgt dat een dergelijke omstandigheid kan meebrengen dat de concrete toepassing van het noodzaakcriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. Volgens de stellers van het middel had toepassing van het verdedigingsbelangcriterium in het voorliggende geval zonder meer geleid tot toewijzing van het gedane verzoek.
Murtazaliyeva/Rusland. [7]
NJ2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes heeft de Hoge Raad enkele uitgangspunten van het stelsel met betrekking tot het oproepen en horen van getuigen herhaald en aangevuld. Deze houden onder meer het volgende in. Art. 6 lid Pro 3, aanhef en onder d, EVRM bepaalt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, het recht heeft ‘getuigen à charge’ te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van ‘getuigen à décharge’ te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. Het Nederlandse Wetboek van Strafvordering kent geen onderscheid tussen getuigen à charge en getuigen à décharge. Voor de eisen die worden gesteld aan een verzoek tot het horen van een getuige, maakt het in beginsel dan ook geen verschil of zo een verzoek een getuige à charge dan wel à décharge betreft. De verdediging moet ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing. [8] Aan dit motiveringsvereiste ligt ten grondslag dat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden. Als de verdediging een getuige wenst te ondervragen, dient zij hiertoe het nodige initiatief te nemen. Dat houdt in dat de verdediging die wens kenbaar moet maken door een stellig en duidelijk verzoek te doen tot het oproepen en horen van een concreet aangeduide getuige. Het staat de rechter vrij om zich bij de beoordeling van het verzoek een voorlopig oordeel te vormen over het vermoedelijke of mogelijke gewicht van de al door de betreffende getuige afgelegde verklaring, in het licht van wat uit de overige processtukken blijkt en gelet op de beschuldiging die door het openbaar ministerie in de strafzaak centraal wordt gesteld. De rechter mag mede op grond daarvan de beslissing nemen over het oproepen en horen van de betreffende getuige. Voordat de rechter uitspraak doet, dient hij zich ervan te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
5.Het derde middel
Het middel
Horen getuigen
6.Het vierde middel
Het middel
in Nederlandgeldt.
effectiefkunnen leveren van commentaar) of – na notificatie – de gehanteerde onderzoeksbevoegdheid (de hackoperatie in Frankrijk) naar Nederlands recht is geoorloofd, heeft de verdediging heeft de navolgende onderzoekswensen.
notificaties(in de zin van ‘Bijlage C’ uit Richtlijn 2014/41) vanuit Frankrijk, in het bijzonder voor zover gericht aan Nederland, terzake de ‘EncroChat-hack’.
Franse onderzoeksdossier, in het bijzonder terzake (de verantwoording van) de uitgeoefende opsporingsbevoegdheden, van het onderzoek ‘EncroChat’ (onderzoek ‘Emma 95’);
Nederlandse onderzoeksdossier, in het bijzonder terzake (de verantwoording van) de uitgeoefende opsporingsbevoegdheden, van het onderzoek ‘EncroChat’ (onderzoek Lemont/ Bismarck);
communicatie/ uitgewisselde (proces)stukken tussen Nederland en Frankrijk, al dan niet in het kader van het gemeenschappelijke onderzoeksteam (hierna: JIT) en al dan niet via (gebruikmaking van het SIENA-systeem van) Europol;
volledige (ruwe) EncroChat-(bron)datasetverkregen in het onderzoek ‘Lemont’, zowel in de vorm van de historische data(collectie) – te weten: de ‘REALM-data’ – als de nadien ‘live' verkregen data(collectie) – te weten: de ‘JSON-data' – en in het bijzonder de volledige (secundaire) dataset uit onderzoek Picture/ van alle EncroChat-accounts die in dit onderzoek voorkomen.
[betrokkene 7], (als (
feitelijk) leider) betrokken bij het opsporingsonderzoek naar ‘EncroChat’ (onderzoek ‘Emma 95’) aan
Franse zijde
[Officier van Justitie 1], officier van justitie en (
formeel) leider van het opsporingsonderzoek naar ‘EncroChat’ aan
Nederlandse zijde;
[verbalisant], als (verbaliserend) opsporingsambtenaar
feitelijkbetrokken bij het opsporingsonderzoek naar ‘EncroChat’ in het onderzoek ‘Lemont’; aan
Nederlandse zijde;
[betrokkene 8], als Deputy Executive Director
vanuit Europolbetrokken bij de operatie rondom ‘EncroChat’ en
de ( […] -)medewerkerdie (als Deputy Executive Director)
vanuit Eurojustbetrokken is geweest bij de operatie rondom ‘EncroChat’;
to a position to comment effectively on that information and on that evidence’, dan meen ik dat via het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie hieromtrent duidelijkheid verkregen moet worden; hoe verhoudt zich het vertrouwensbeginsel (op basis waarvan de Hoge Raad oordeelt dat onderzoek naar de rechtmatigheid en betrouwbaarheid niet zonder meer nodig is ten opzichte van het oordeel van het HvJ dat de lidstaat moet onderzoeken of het verkregen bewijs naar Nederlands recht geoorloofd is en de verdachte de mogelijkheid moet hebben om effectief commentaar te leveren op het in deze zaak verkregen bewijs?”
6: In aanvulling op die verzoeken:locatiegegevens [betrokkene 1]t.b.v. beoordeling in de zin van art. 31 Richtlijn Pro 2014/41
hacking/Trojan software) zou hebben geleid.
aanvullende onderzoekswens: verstrekking van
alle beschikbare locatiegegevens(in de vorm van JSON-data van alle berichten),zodat we per bericht weten waarvandaan het is gestuurd. Die informatie is immers beschikbaar (zie bijvoorbeeld de bijlage bij het NFI rapport over de betrouwbaarheid van de data). Die informatie is noodzakelijk om te weten: moet een buitenlandse autoriteit om toestemming gevraagd worden
vóórdatwe een bepaald/ concreet bericht voor het (belastende) bewijs gebruikt kan worden? Als een concreet bericht uit Nederland is verzonden, is het aan ons zelf. Is het echter vanuit het buitenland is verzonden, dan verschilt dat niet van bijvoorbeeld een OVC-gesprek uit een auto die de grens overgaat: dan moet het andere land dat (achteraf) toestaan óf weigeren (zie bv. de bijlage).”
Overwegingen van het hof naar aanleiding van de préjudiciële beslissing van het Hof van Justitie d.d. 30 april 2024
124Article 31 of Directive 2014/41 is thus intended not only to guarantee respect for the sovereignty of the notified Member State but also to ensure that the guaranteed level of protection in that Member State with regard to the interception of telecommunications is not undermined. Therefore, in so far as a measure for the interception of telecommunications amounts to an interference with the right to respect for the private life and communications – enshrined in Article 7 of the Charter – of the target of the interception (see, to that effect, judgment of 17 January 2019, Dzivev and Others, C-310/16, EU:C:2019:30, paragraph 36), it must be held that Article 31 of Directive 2014/41 is also intended to protect the rights of persons affected by such a measure, an objective which extends to the use of the data for the purposes of criminal prosecution in the notified Member State.’
125 In the light of all the above considerations, the answer to Question 4 (c) is thatArticle 31 of Directive 2014/41 must be interpreted as being intended also to protect the rights of those users affected by a measure for the ‘interception of telecommunications’ within the meaning of that article.’
123 The use of the verb ‘may’ in that provision implies thatthe notified Member State has a discretion which comes under the assessment to be made by the competent authority of that State; the exercise of that discretion must be justified by the fact that such an interception would not be authorised in a similar domestic case.’
131 In the light of all the above considerations, the answer to Question 5 is that Article 14(7) of Directive 2014/41 must be interpreted as meaning that, in criminal proceedings against a person suspected of having committed criminal offences, national criminal courts are required to disregard information and evidence if that person is not in a position to comment effectively on that information and on that evidence and the said information and evidence are likely to have a preponderant influence on the findings of fact.
overdrachthad verzocht van de, door Frankrijk middels de interceptie tool reeds verkregen, Encrochat gegevens.
Het EOB omvat alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van Pro de Overeenkomst betreffende, de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, tussen de lidstaten van de Europese Unie („de overeenkomst"), en in Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad, (...).
gebruiken. De vragen zien dus niet op de wijze waarop de Franse autoriteiten de Encrochat gegevens hebben
verkregen. Aan het arrest van het Hof van Justitie zijn dus evenmin argumenten te ontlenen teneinde, zoals de verdediging blijkens de verzoeken voor ogen heeft, tot nader onderzoek over te (kunnen) gaan naar de wijze waarop de Encrochat door de Franse autoriteiten zijn
verkregen.
gebruikvan de verkregen Encrochat gegevens in strafrechtelijke procedures in de verzoekende staat moet kunnen aanvechten.
NJ2023/279, m.nt. J.M. Reijntjes, prejudiciële vragen beantwoord die verband hielden met – kort gezegd – het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken. In die beslissing heeft de Hoge Raad onder meer het toetsingskader uiteengezet in het geval dat het openbaar ministerie in een strafzaak de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek bij de stukken voegt, in het bijzonder met het oog op het gebruik voor het bewijs van die resultaten. Daarnaast is de Hoge Raad, eveneens in relatie tot de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek, onder meer ingegaan op enkele aspecten van Unierecht en op de regeling van het voegen van stukken bij de processtukken en het verkrijgen van inzage in stukken. De toepassing van dit toetsingskader kwam voor het eerst aan de orde in het arrest van 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192,
NJ2024/157, m.nt. J.M. Reijntjes.
gebruikvan de EncroChat-gegevens en niet op de wijze waarop de Franse autoriteiten die gegevens hebben
verkregenen daaraan, mede gelet op de betekenis van het vertrouwensbeginsel, geen argumenten zijn te ontlenen om de wijze van verkrijging van deze gegevens door de Franse autoriteiten nader te onderzoeken;
7.Het vijfde, het zesde en het zevende middel
De middelen
(Aanvullende) stukken
EncroChat-gerelateerde verzoeken
Inzage/voeging van stukken
gebruikwordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6., eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000/107).” (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Volgens de Hoge Raad is in een geval als het onderhavige aldus het vertrouwensbeginsel van toepassing en heeft dit als consequentie dat de Nederlandse strafrechter de rechtmatigheid van de toepassing van door de autoriteiten van de andere (lid)staat toegepaste bevoegdheden, niet toetst. Verondersteld wordt immers dat die toepassing rechtmatig heeft plaatsgevonden, omdat de beide staten de toepassing van de betreffende bevoegdheden bij het aangaan van het verdrag hebben beoordeeld. Hetgeen de verdediging ter onderbouwing van zijn verzoeken heeft aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding reeds nu, vóór de bij de inhoudelijke behandeling te voeren discussie, ervan uit te gaan dat dit vertrouwensbeginsel in deze zaak geen rol mag spelen, of dat daarop voorshands een uitzondering moet worden gemaakt.
Getuigenverzoeken
Overige EncroChat-gerelateerde verzoeken
niet alle berichten uit het toestel die uitgewisseld zijn ten tijde van de inzet van het technische hulpmiddel terug te vinden zijn in de aangeleverde berichten uit het technisch hulpmiddel.’ Zie pagina 9 van het rapport.
in de via technische hulpmiddel verkregen berichten kunnen berichten ontbreken. Dit kan een enkel bericht zijn, maar langere perioden aan ontbrekende berichten komen ook voor.’ Het NFI rapporteert voorts – voor deze zaak relevant – dat van één toestel van de vijf onderzochte toestellen
geenberichten in de gegevens uit technisch hulpmiddel zijn aangetroffen (dat kan omdat wellicht technisch hulpmiddel niet goed is geïnstalleerd op dit toestel of niet heeft gewerkt).
viaEncroChat liep is onderschept. Zij wijzen erop – onder meer onder verwijzing naar de vaststellingen van het HvJ EU in zijn arrest van 30 april 2024 [30] over de manier waarop de interceptietool is ingezet – dat met de hack een valse update naar EncroChat-telefoons is geïnstalleerd en dat het EncroChat-verkeer daarmee direct uit de telefoons van de gebruikers werd opgevangen (en dus niet via de server in [plaats] ). Gesteld wordt dat het hof heeft miskend dat daarmee sprake is geweest van de uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied.
NJ2024/157 m.nt. Reijntjes heeft de Hoge Raad reeds beslist dat laatstgenoemde uitspraak van het EHRM geen aanleiding geeft te verzoeken advies uit te brengen over principiële vragen inzake de uitlegging of toepassing van de rechten en vrijheden die zijn omschreven in het EVRM of de protocollen daarbij. [33] Waarom het stellen van vragen aan partijen in de zaak Silgir/Duitsland daar verandering in zou moeten brengen ontgaat mij.
rechtmatigheidvan het EncroChat-bewijs, terwijl deze getuigenverzoeken zijn gedaan om de
betrouwbaarheidvan dit bewijs te toetsen.
betrouwbaarheidvan de in het dossier gevoegde EncroChat-data. Zoals hiervoor bij de bespreking van het vierde tot en met het zesde middel reeds aan bod is gekomen hielden de op 22 mei 2024 herhaalde verzoeken verband met het arrest van het HvJ EU van 30 april 2024 en wenste de verdediging daarmee te onderzoeken of de Franse autoriteiten de Nederlandse autoriteiten hadden genotificeerd als bedoeld in art. 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU. De betrouwbaarheid van de EncroChat-data is in dat kader – blijkens het e-mailbericht van 22 mei 2024 en de mondelinge toelichting daarop tijdens de terechtzitting van 25 juni 2024 – door de verdediging evenmin (gemotiveerd) betwist. Gelet hierop hoefde het hof dan ook geen aanleiding te zien om bij eindarrest zijn eerdere afwijzende beslissing te herzien.
8.Het achtste, het negende en het tiende middel
De middelen
(het scannen van) containers en/of één of meerdere containernummers, met als bijlage een foto van containernummers en bill of lading; en
Bewijsmiddelen ten aanzien van identificatie [verdachte]
Nadere bewijsoverwegingen
nietde klacht dat het hof bij de selectie van die verklaring voor het bewijs de verklaring op zo een manier heeft weergegeven dat aan die verklaring een wezenlijk andere betekenis wordt gegeven dan de verdachte daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven. Het middel klaagt in de kern juist dat de bewijsoverwegingen van het hof over de inhoud van verklaring van de verdachte geen steun vinden in zijn verklaring zoals die tot het bewijs is gebezigd (bewijsmiddel 14; zie hiervoor onder randnummer 8.4). In zo een geval gaat het strikt genomen niet om het denatureren van een verklaring. In zoverre mist het middel naar ik meen feitelijke grondslag. Ik lees het middel echter met enige welwillendheid zo dat de betreffende overwegingen van het hof geen steun vinden in de bewijsmiddelen.
op 8 mei 2020in [A] in [plaats] is geweest niet met zoveel woorden uit zijn tot het bewijs gebezigde verklaring, maar ook hier zie ik niet in wat het belang van de verdachte bij deze klacht is. In hoger beroep is de verdachte over zijn bezoek aan het hotel bevraagd in verband met de foto die het [accountnaam 49] op 8 mei 2020 aan [accountnaam 50] stuurde van een maaltijd in het hotel. De verdachte heeft – blijkens het hiervoor genoemde proces-verbaal van de terechtzitting – erkend dat hij die foto heeft gemaakt toen hij met zijn partner in het hotel verbleef. De datum van zijn bezoek aan het hotel is door de verdachte aldus niet betwist.
a) niet uit de bewijsvoering kan volgen, en
b) niet steunt op de inhoud van de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen.