ECLI:NL:OGEAC:2025:283

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
CUR202500586
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag en vermindering verzuimboete winstbelasting na tijdige betaling door belanghebbende

In deze zaak heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 19 december 2025 uitspraak gedaan over een naheffingsaanslag en verzuimboete winstbelasting die aan de belanghebbende waren opgelegd. De belanghebbende had de verschuldigde belasting voor het jaar 2021 tijdig betaald, voordat de naheffingsaanslag werd opgelegd. Het Gerecht oordeelde dat de naheffingsaanslag vernietigd diende te worden en dat de verzuimboete moest worden verminderd naar het minimum van NAf 50.

De procesgang begon met de oplegging van de naheffingsaanslag en verzuimboete op 29 juni 2023, waartegen de belanghebbende bezwaar maakte. De Inspecteur handhaafde de aanslag en boete, waarna de belanghebbende pro-forma beroep instelde. Tijdens de zitting op 27 november 2025 werd de zaak behandeld, waarbij de belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. [A] en de Inspecteur door [B] en [C].

Het Gerecht overwoog dat de belanghebbende de belasting tijdig had betaald, maar dat de betaling pas op 3 januari 2023 op de rekening van de Ontvanger was bijgeschreven. Dit leidde tot de conclusie dat de naheffingsaanslag onterecht was opgelegd. De verzuimboete werd verminderd omdat de belanghebbende niet in verzuim was, en het Gerecht oordeelde dat de boete moest worden vastgesteld op het minimum van NAf 50. De uitspraak benadrukte ook de noodzaak van een redelijke termijn voor de behandeling van belastingzaken.

Uitspraak

Uitspraak van 19 december 2025
BBZ nr. CUR202500586
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],gevestigd te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende zijn op 29 juni 2023 een naheffingsaanslag en verzuimboete winstbelasting (WB) over het jaar 2021 opgelegd. Op het aanslagbiljet staan de volgende gegevens:
Naheffingsaanslag:
Verschuldigde belasting:
NAf.
22.543,00
Tijdig betaald / Reeds aangeslagen:
NAf.
-
Naheffingsbedrag:
NAf.
22.543,00
Boete:
NAf.
1.127,00
+
Sub totaal:
NAf.
23.670,00
Te laat betaald:
NAf.
0,00
-
Te betalen:
NAf.
23.670,00
1.2
Belanghebbende heeft daartegen op 21 augustus 2023 bezwaar gemaakt.
1.3
De Inspecteur heeft op 17 december 2024 uitspraak op bezwaar gedaan en de naheffingsaanslag en verzuimboete gehandhaafd.
1.4
Belanghebbende heeft op 14 februari 2025 pro-forma beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.5
Belanghebbende heeft het beroep op 31 maart 2025 gemotiveerd.
1.6
De Inspecteur heeft op 25 november 2025 een verweerschrift ingediend.
1.7
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A], verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C].

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende heeft op 21 april 2022 verzocht om uitstel voor het indienen van de definitieve aangifte WB voor het jaar 2021. Dit verzoek is op 28 april 2022 toegewezen. Belanghebbende diende de definitieve aangifte WB 2021 in te dienen voor 1 januari 2023.
2.2
Belanghebbende heeft op 19 december 2022 de definitieve aangifte WB 2021 ingediend. De verschuldigde winstbelasting volgens de definitieve aangifte bedraagt NAf 22.543.
2.3
Tot het procesdossier behoort een bankafschrift, waaruit volgt dat belanghebbende op 30 december 2022 een bedrag van 12.664,61 (in US$) naar de Ontvanger heeft overgemaakt.
2.4
Voornoemde betaling is op 3 januari 2023 door de Ontvanger op rekening ontvangen.
2.5
De naheffingsaanslag en verzuimboete zijn op 29 juni 2023 opgelegd vanwege het niet (tijdig) betalen van de op aangifte aangegeven verschuldigde belasting. Bij de hoogte van de verzuimboete is de Inspecteur uitgegaan van een eerste verzuim (5% van NAf 22.543).

3.GESCHIL

3.1
In geschil is of de naheffingsaanslag en verzuimboete WB over het jaar 2021 terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd.

4.OVERWEGINGEN

Naheffingsaanslag

4.1
Belanghebbende heeft voor het tijdstip waarop de naheffingsaanslag is opgelegd de voor het jaar 2021 aangeven verschuldigde belasting betaald. In dat geval dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd.
Verzuimboete
4.2
Op grond van artikel 15, lid 4, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is de belastingplichtige gehouden uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar definitieve aangifte te doen en de belasting overeenkomstig die aangifte te betalen bij de Ontvanger.
4.3
De Inspecteur heeft in het onderhavige geval op verzoek van belanghebbende uitstel verleend als bedoeld in artikel 15, lid 6, ALL tot uiterlijk 1 januari 2023 (zie 2.1). Ingevolge artikel 1, lid 1 van de Algemene termijnenlandsverordening wordt een in een landsverordening gestelde termijn die eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Dat houdt in dit geval in dat de termijn voor indiening van de aangifte (en betaling) wordt verlengd tot en met 2 januari 2023.
4.4
Belanghebbende meent dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd omdat tijdig is betaald. Die opvatting is onjuist, aangezien volgens vaste jurisprudentie bij betaling door overschrijving op de rekening van de Ontvanger deze betaling eerst plaatsvindt op de dag waarop de belasting wordt bijgeschreven op die rekening. De verschuldigde belasting is op 3 januari 2023, derhalve niet tijdig, op de rekening van de Ontvanger bijgeschreven.
4.5
Op grond van artikel 19, lid 1 van de ALL kan de Inspecteur indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft betaald een boete van ten hoogste NAf 10.000 opleggen.
4.6
Nadere regels voor het opleggen van boetes zijn opgenomen in Hoofdstuk IV van de Ministeriele regeling formeel belastingrecht (hierna: de regeling).
4.7
Ingevolge artikel 4.6, lid 2 aanhef en letter a van de Regeling legt de Inspecteur indien de belastingplichtige voor de winstbelasting de op aangifte verschuldigde belasting niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig heeft betaald, in geval van een eerste verzuim “
een boete op van 5% van het bedrag van de naheffingsaanslag met een minimum van NAf 50,-- en een maximum van NAf 2.500,--”.
4.8
Het bedrag van de naheffingsaanslag is in het voorliggende geval nihil, nu die wordt vernietigd (zie 4.1). Gelet op de duidelijke tekst van artikel 4.6, lid 1 aanhef en letter a van de Regeling is het Gerecht van oordeel dat de verzuimboete dient te worden verminderd naar het minimum van NAf 50. Als de Minister bedoeld had om de boete te berekenen als percentage van de te laat betaalde belasting (overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur) dan had hij dat in de tekst tot uitdrukking moeten brengen. Nu hij dat niet gedaan heeft moet een burger erop kunnen vertrouwen dat de boete beperkt blijft tot 5% van de naheffingsaanslag (of het genoemde minimumbedrag). Dat zou slechts anders kunnen zijn indien toepassing van de letterlijke tekst zou leiden tot een zodanig ongerijmd resultaat dat belanghebbende daar in redelijkheid niet op had mogen en kunnen rekenen. Van die situatie is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. [1]
4.9
Een verzuimboete dient achterwege te blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (AVAS). Daarvan is sprake indien belanghebbende stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verschuldigde bedrag tijdig op de rekening van de belastingdienst zou zijn bijgeschreven. [2] In het onderhavige geval acht het Gerecht daar geen sprake van. Belanghebbende had een iets ruimere termijn in acht kunnen nemen om er zeker van te zijn dat er rekening houdend met de verwerkingstijd van een betaling door de bank tijdig betaald zou worden.
4.1
Het Gerecht acht een boete van NAf 50 passend en geboden.
Overschrijding redelijke termijn
4.11
Het Gerecht dient met betrekking tot de boete ambtshalve te beoordelen of inbreuk is gemaakt op het recht van belanghebbende op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. [3]
4.12
Van de oplegging van de verzuimboete (29 juni 2023) tot de onderhavige uitspraak van het Gerecht (8 januari 2026) zijn meer dan twee jaar verstreken. Nu de verzuimboete minder bedraagt dan NAf 1.000 zal het Gerecht ter zake daarvan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [4] In plaats van de door de Hoge Raad gehanteerde bagatelgrens van € 1.000, zal het Gerecht uitgaan van een bagatelgrens in de in Curaçao geldende valuta. [5]

5.PROCESKOSTEN

Kosten bezwaarfase

5.1
Ingevolge artikel 32a, lid 1 ALL worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht.
5.2
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om een kostenvergoeding. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De naheffingsaanslag en verzuimboete zijn niet door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht opgelegd. Er is immers sprake van een geval waarin de verschuldigde belasting door belanghebbende niet tijdig is betaald.
Kosten beroepsfase
5.3
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.4
In artikel 15, lid 2 LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.5
Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de voor vergoeding in aanmerking komende kosten berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting), waarde per punt NAf 700.
5.6
Ingevolge artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan in bijzondere omstandigheden van een forfaitaire proceskostenvergoeding worden afgeweken. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift verzocht om een integrale proceskostenvergoeding van US$ 1.248 en merkt daarbij op dat de kosten nog verder kunnen oplopen. Het Gerecht ziet in het onderhavige geval geen aanleiding voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding. Bovendien is het verzoek niet met bescheiden onderbouwd en wordt ook om die reden door het Gerecht afgewezen.
Griffierecht
5.7
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden.

6.DE BESLISSING

Het Gerecht
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de verzuimboete betreft;
  • vermindert de verzuimboete tot een bedrag van NAf 50;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van beroep van belanghebbende ten bedrage van Cg 1.400; en
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 150 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 19 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Voetnoten

1.Vgl. GEA Curaçao 21 november 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:168 en GHvJ van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 4 januari 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:5.
2.Vgl. Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.
3.Vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.
4.Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
5.Vgl. HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:50 r.o. 4.3.1 en HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1885 r.o. 5.3.