In deze zaak heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 19 december 2025 uitspraak gedaan over een naheffingsaanslag en verzuimboete winstbelasting die aan de belanghebbende waren opgelegd. De belanghebbende had de verschuldigde belasting voor het jaar 2021 tijdig betaald, voordat de naheffingsaanslag werd opgelegd. Het Gerecht oordeelde dat de naheffingsaanslag vernietigd diende te worden en dat de verzuimboete moest worden verminderd naar het minimum van NAf 50.
De procesgang begon met de oplegging van de naheffingsaanslag en verzuimboete op 29 juni 2023, waartegen de belanghebbende bezwaar maakte. De Inspecteur handhaafde de aanslag en boete, waarna de belanghebbende pro-forma beroep instelde. Tijdens de zitting op 27 november 2025 werd de zaak behandeld, waarbij de belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. [A] en de Inspecteur door [B] en [C].
Het Gerecht overwoog dat de belanghebbende de belasting tijdig had betaald, maar dat de betaling pas op 3 januari 2023 op de rekening van de Ontvanger was bijgeschreven. Dit leidde tot de conclusie dat de naheffingsaanslag onterecht was opgelegd. De verzuimboete werd verminderd omdat de belanghebbende niet in verzuim was, en het Gerecht oordeelde dat de boete moest worden vastgesteld op het minimum van NAf 50. De uitspraak benadrukte ook de noodzaak van een redelijke termijn voor de behandeling van belastingzaken.