Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
1.Het procesverloop
2.De feiten
(…)
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
:
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
De werknemer trad in februari 2018 in dienst bij de werkgever als driver/warehouse attendant. Gedurende de arbeidsovereenkomst ontving hij meerdere schriftelijke waarschuwingen vanwege gedragsproblemen. In juni 2019 constateerde de arbeidsinspectie ernstige tekortkomingen in de arbeidsomstandigheden. Medio juli 2019 werd de werknemer onwel op het werk en was hij arbeidsongeschikt, maar hij kon zich niet ziekmelden bij de SZV vanwege het ontbreken van een verplichte ziektekaart die de werkgever niet verstrekte.
De werkgever deed een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, maar de werknemer ging hier niet mee akkoord. Vervolgens werd de werknemer op 19 augustus 2019 op staande voet ontslagen wegens vermeende onrechtmatige afwezigheid en weigering tot werkhervatting. De werknemer betwistte dit ontslag en stelde dat hij arbeidsongeschikt was en zich ziek had gemeld.
Het Gerecht oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat de werkgever onvoldoende had gedaan om de werknemer te voorzien van de ziektekaart, waardoor hij niet aan de ziekteverzuimvoorschriften kon voldoen. Ook waren de slechte arbeidsomstandigheden en het ontbreken van een uitnodiging voor een medisch onderzoek relevant. Het ontslag werd daarom als te vergaand beoordeeld en nietig verklaard.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het salaris vanaf 1 september 2019 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met wettelijke verhoging en rente, alsmede buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De wettelijke verhoging werd gematigd tot 10%.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is nietig verklaard en de werkgever is veroordeeld tot betaling van salaris en kosten.