Uitspraak
HET LAND ARUBA,
ARUBA BANK N.V.,
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.De beoordeling
NJ1935, p. 1276. In die zaak was, anders dan in dit geval, sprake van een invorderingsmaatregel met stuitende werking, aldus de klacht.
NJ1935, p.1276, geen grond worden ontleend om voor het hier toepasselijke oude recht toch stuitende werking toe te kennen aan verlening van uitstel van betaling. In die uitspraak is geoordeeld dat de stuitende werking van een executoriaal derdenbeslag als daad van rechtsvervolging voortduurt tot de laatste beslissing in de daarop gevolgde procedure. Deze voortdurende werking van de stuiting is in het arrest afgeleid uit de aard van de betrokken wettelijke regeling van een door een verklaringsprocedure gevolgd executoriaal derdenbeslag. Van een daarmee vergelijkbare situatie is in dit geval geen sprake. Opmerking verdient dat het door het hof genoemde argument dat de Ontvanger, om een lopende verjaring te stuiten, in alle gevallen direct tot invordering zou moeten overgaan en nooit zonder meer uitstel van betaling zou kunnen verlenen indien zodanig uitstel geen stuitende werking heeft, goede grond mist. De verjaringstermijn bedraagt immers onder art. 13 (oud) LvIDB vijf jaren en heeft daarmee een zodanige lengte dat de Ontvanger in de regel uitstel van betaling kan verlenen dat eindigt voordat verjaring van de aanslag dreigt.