Uitspraak
LANDSONTVANGER VAN CURAÇAO,
SOCIALE VERZEKERINGSBANK,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De Ontvanger had dwangschriften uitgevaardigd tegen vennootschappen waarvan appellant bestuurder is en een vordering tot afdracht ingediend bij de SVB ten laste van appellant persoonlijk. Appellant stelde dat deze gang van zaken onwettig was en vorderde in kort geding onder meer betaling van een bedrag door de SVB en opheffing van het beslag.
Het Gerecht wees de vorderingen af en appellant ging in hoger beroep, waarbij hij tevens een beroep deed op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM. Het Hof oordeelde dat appellant ontvankelijk is in hoger beroep ondanks dat zijn gemachtigde niet toegelaten was.
Het Hof stelde vast dat de dwangschriften tegen de vennootschappen waren gericht en dat appellant onvoldoende had toegelicht hoe hij zijn vorderingen tegen de SVB effectief kon geldend maken. Ook ontbrak het aan spoedeisend belang voor toewijzing van zijn geldvorderingen in kort geding.
Voorts oordeelde het Hof dat de hoofdelijk aansprakelijkheid van bestuurders in de landsverordeningen niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel en het EVRM, mits de bestuurder eerst wordt aangesproken en een redelijke termijn krijgt om te betalen alvorens een vordering bij de SVB wordt ingediend. De vordering van de Ontvanger voldeed hier niet aan.
Het Hof bevestigde het vonnis van het Gerecht en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis van afwijzing van de vorderingen van appellant tegen de Ontvanger en SVB.