Conclusie
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
Groen/Staat [9] kan worden aangenomen.
Erven Van Hese/De Scheldevan 28 april 2000 [17] heeft de Hoge Raad over het belang van de rechtszekerheid het volgende overwogen:
artikelen 306 tot en met 325behandelt het ontwerp de zgn. bevrijdende verjaring (…). Evenals de verkrijgende verjaring dient de bevrijdende verjaring de rechtszekerheid: na verloop van tijd wordt het steeds moeilijker te achterhalen of een schuld - nog - bestaat en of zij door betaling of anderszins teniet is gegaan. In de moderne tijd, die een veelheid van rechtsbetrekkingen meebrengt, klemt dit des te meer; (…)”
het bestuursorgaande verjaring ook kan stuiten door een aanmaning als bedoeld in art. 4:112 Awb Pro, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel. De wetgever heeft daarbij gekozen voor een beperking van de vóór de invoering van de vierde tranche bestaande mogelijkheid dat het bestuursorgaan de verjaring kan stuiten door middel van een schriftelijke mededeling waarin het bestuursorgaan zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorbehoudt. De schuldeiser van het bestuursorgaan heeft deze stuitingsgrond (die correspondeert met art. 3:317 BW Pro) wel tot zijn beschikking [25] .
De onderdelen a tot en met d zijn nieuw. Ze hebben betrekking op situaties waarin gedurende de invorderingstermijn de feitelijke invordering van de Ontvanger wordt opgeschort. De opschorting is toe te rekenen aan handelingen van de belastingschuldige. Het is dan ook onredelijk dat deze invloed hebben de feitelijke duur van de invorderingstermijn. Derhalve bepaalt het tweede lid dat ook in de situaties, genoemd in de onderdelen a tot en met d, de invorderingstermijn wordt verlengd met de periode waarin geen invorderingsmaatregelen worden getroffen. [onderstreping A-G]”
Groen/Staat [41] . In dit arrest uit 1935 oordeelde de Hoge Raad dat een executoriaal derdenbeslag dat strekt tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel tot invordering van verschuldigde belasting een akte van vervolging is in de zin van art. 11 van Pro de Wet van 1845 op de invordering van ’s Rijks directe belastingen. Vervolgens overwoog de Hoge Raad – voor zover hier van belang – als volgt:
NJ1935/1276 – dat het hof in rov. 3.7, 3.7.1 en 3.7.2 noemt en dat ook in de toelichting op art. 3:319 BW Pro (Parl. Gesch. Boek 3, p. 937) wordt vermeld – geen betrekking heeft op stuiting van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, maar op stuiting van de verjaring van een (belasting)vordering waarover een procedure liep waarin nog niet was beslist.”
Groen/Staatbetrekking heeft op de verjaring van een rechtsvordering en niet ziet op de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak. Z.i. is in de tweede plaats de kern van het arrest daarin gelegen dat het gaat om een executoriaal derdenbeslag dat wordt gevolgd door een gerechtelijke procedure. Hij vervolgt dan:
Groen/Staatzag op de specifieke situatie waarbij aan een daad van rechtsvervolging, die werd gevolgd door een procedure, stuitende werking werd toegekend omdat het onwenselijk was dat gedurende de lopende procedure de verjaring zou intreden. Deze specifieke situatie is later gecodificeerd in de stuitingsregeling van titel 11 van Boek 3 BW [44] .
Groen/Staatmag m.i. dan ook niet zo ruim worden uitgelegd dat aan het verzoek tot uitstel van betaling, althans de verlening van dat uitstel door de ontvanger, stuitende werking zou moeten worden toegekend.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Staat/Bleeker) [60] bestond discussie over de vraag of in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening door de ontvanger van zijn taak, uitsluitend de ontvanger kon worden gedagvaard [61] . De Hoge Raad oordeelde dat dat gelet op de tekst van en de toelichting bij art. 3 Iw Pro 1990 moet worden aangenomen. Art. 3 lid 2 Iw Pro 1990 bevat derhalve een exclusieve procesbevoegdheid voor de ontvanger (met uitsluiting van de Staat).
Staat/Bleekeronvoldoende om aan te nemen dat de Arubaanse wetgever de ontvanger exclusieve procesbevoegdheid had willen geven.
subonderdelen 1.2en
1.3gaan achtereenvolgens uit van de lezing dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het onderhavige geding niet moet worden gekwalificeerd als een rechtsgeding voortvloeiende uit de uitoefening door de ontvanger van zijn taak, dan wel dat het Land de in de subonderdelen 1.1 en 1.2 bedoelde rechtsregels in feitelijke instanties niet aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd.
Vervallen schorsende werking fiscaal verzet
hooguit(curs. A-G) tot gevolg heeft dat het verzet nietig is. Daaruit blijkt in de eerste plaats niet of het hof heeft geoordeeld of deze nietigverklaring verval van de verzetprocedure meebrengt. Ook blijkt niet uit of het hof heeft geoordeeld dat het verjaringsverweer van Aruba Bank in deze procedure niet kan worden gehonoreerd, of juist wel, bijvoorbeeld op grond van bepaalde omstandigheden.
subonderdeel 2.5dat indien en voor zover het hof ervan zou zijn uitgegaan dat het Land de in de subonderdelen 2.1 tot en met 2.4 bedoelde rechtsregels in feitelijke instanties niet aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd, het hof tevens heeft miskend dat rechtsregels van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve dienen te worden toegepast, mist feitelijke grondslag en faalt derhalve.