Uitspraak
Procesverloop
Overwegingen
Inleiding
Feiten
Uit artikel 26, eerste lid, van de Lwtf volgt dat een dienstverlener een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld moet melden aan het MOT nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie hem bekend is geworden.
Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties (AB 2012, no. 47) (hierna: de Regeling) volgt dat een contante transactie ter waarde van Afl. 25.000,- of de tegenwaarde daarvan in vreemde valuta, of meer, wordt gezien als een indicator van een ongebruikelijke transactie.
Uit artikel 11, aanhef en onderdeel a, van de Lwtf volgt dat een dienstverlener een verscherpt cliëntenonderzoek verricht, indien en naargelang een transactie naar haar aard een hoger risico op witwassen of terrorismefinanciering met zich brengt. Het verscherpte cliëntenonderzoek wordt voorafgaand aan de transactie verricht als een cliënt geen ingezetene van Aruba is, respectievelijk niet in Aruba is gevestigd.
In artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Lwtf staat dat de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen vervalt, drie jaren na de dag waarop de niet-naleving van het voorschrift is geconstateerd.
In artikel 2 van Pro het op grond van artikel 37, vijfde lid, van de Lwtf vastgestelde Landsbesluit grondslagen bestuurlijke handhaving Lwtf (hierna: het Landsbesluit) worden de beboetbare overtredingen verdeeld in twee categorieën. Op grond van artikel 4 geldt Pro voor categorie 1 een basisbedrag van Afl. 50.000,- met een minimum van Afl. 0,- en een maximum van Afl. 100.000,- en voor categorie 2 een basisbedrag van Afl. 500.000,- met een minimum van Afl. 0,- en een maximum van Afl. 1.000.000,-. Op grond van artikel 5 stelt Pro CBA een bestuurlijke boete vast op het basisbedrag, verhoogt of verlaagt zij deze indien dat gerechtvaardigd wordt door de ernst of de duur van de overtreding of de mate van verwijtbaarheid van de overtreder en houdt zij rekening met de draagkracht van de overtreder.
CBA hanteert een op grond van artikel 37, vierde lid, van de Lwtf door haar vastgestelde en bekendgemaakte ‘Leidraad vaststellen van de hoogte van bestuurlijke boetes’ (hierna: de Leidraad), waaruit volgt onder welke omstandigheden het basisbedrag van een boete kan worden verhoogd of verlaagd. De Leidraad bevat zeven stappen: ernst en duur van de overtreding (stap 1), mate van verwijtbaarheid (stap 2), recidive (stap 3), objectieve draagkracht (stap 4), verkregen voordeel (stap 5), passendheidstoets (stap 6) en geïndividualiseerde draagkrachttoets (stap 7). In zijn uitspraak van 19 februari 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:18, heeft het Hof al geoordeeld dat de Leidraad blijft binnen de door de Lwtf en het Landsbesluit gestelde kaders.
In een ‘Intern kalibratiemodel’ (hierna: het kalibratiemodel) heeft CBA het in de Leidraad opgenomen beleid (voor de stappen 1, 2, 4, 6 en 7) nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Het kalibratiemodel is door CBA niet bekendgemaakt. In de uitspraak van 19 februari 2026 heeft het Hof al geoordeeld dat dit niet in de weg staat aan toepassing daarvan en daarmee ook niet aan toetsing door de bestuursrechter van het kalibratiemodel zelf en de toepassing door CBA daarvan in een concreet geval en voorts dat het kalibratiemodel blijft binnen de door de Lwtf en het Landsbesluit gestelde kaders en ook niet strijdig is met de Leidraad.