Conclusie
9.420,91
240.011,22
binnenlandseverhoudingen betreft, kan ik ervan afzien verder terug te gaan dan tot art. 3 Wet Pro op de Dividend- en Tantième-belasting 1917 (D.T.B.), tekst 1931: "Het bedrag, dat in een boekjaar genoten wordt ter zake van het bezit van aandeelen in andere vennootschappen ..., wordt vóór de heffing van de belasting ... afgetrokken". H.R. 26 september 1923, B. 3293, besliste, "dat voor den in art. 3 der Pro Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917 bedoelden aftrek alleen in aanmerking kan komen hetgeen ter zake van het bezit van aandeelen als
winstwordt uitgekeerd; dat weliswaar dat artikel niet uitdrukkelijk die beperking inhoudt, doch het artikel niettemin in dien beperkten zin is te verstaan (onder meer) om de bedoeling, waaraan het zijn oorsprong dankt, namelijk om te voorkomen dat meer dan eens belasting werd geheven ..., ingeval het reeds eenmaal uitgekeerd bedrag eener uitdeeling bij een andere vennootschap opnieuw tot uitdeeling mocht komen" (over een uitkering uit agio; in gelijke zin H.R. 5 februari 1919, B. 2155, over de opbrengst van claims; 17 juni 1936, B. 6131, over een uitdeling tot een bedrag dat tevoren tot dekking van een geleden verlies op de aandelen was afgeschreven: art. 5 D.T.B. onttrok zulke uitdelingen aan belastbaarheid). H.R. 31 januari 1923, B. 2310, Economisch-Statistische Berichten (E.S.B.) 378 d.d. 28 maart 1923, jaargang 8, blz. 285, met noot A.S. Oppenheim op blzz. 276 e.v. en in E.S.B. 385 d.d. 16 mei 1923, blz. 438 v., alsmede J. Takken, E.S.B. 384 d.d. 9 mei 1923, blzz. 411 e.v., overwoog, "dat ... art. 3 ... spreekt van een bedrag, dat "genoten" wordt, en deze uitdrukking zeker niet toelaat daaronder ook te begrijpen een bedrag dat enkel ontvangen wordt ten bate van een ander; dat ... de geschiedenis ... duidelijk doet uitkomen, dat de strekking van (art. 3 D.T.B.) geen andere (is) dan om te voorkomen dat reeds belaste uitdeelingen opnieuw ... zouden worden getroffen, wanneer zij andermaal tot uitdeeling (worden) gebracht door ... naamlooze vennootschappen enz. en dit doel ... zeker verre zou (worden) voorbijgestreefd, indien toegestaan (werd) op latere uitdeelingen in mindering te brengen zoodanige uitdeelingen, welke noch direct noch indirect tot die latere uitdeelingen hebben kunnen bijdragen, doordat zij ten bate van een ander zijn ontvangen" (in gelijke zin H.R. 16 mei 1934, B. 5619). Enige jurisprudentie van raden van beroep is vermeld in B. 5448; H.J. Lazet, De naamlooze vennootschap, 15 mei 1932, jaargang 11, blzz. 36 e.v.; A.F. Tuk, Weekblad der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen 3311 d.d. 7 december 1935, jaargang 64, blz. 581 v.
buitenlandseverhoudingen betreft, is het dienstig de geschiedbeschrijving aan te vangen bij de wetsgeschiedenis van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914, Staatsblad 563 (I.B. ’14). Ingediend werd een amendement-De Meester (Bijlagen Handelingen Tweede Kamer 1913-1914 - 18, nr. 28) "om ... de hier te lande gevestigde vennootschappen ..., die tevens in het buitenland werkzaam zijn, eene tegemoetkoming te verleenen in de Rijksbelasting, welke zij in het buitenland ter zake harer aldaar behaalde winsten betalen. Meer dan eene tegemoetkoming schijnt onnoodig en irrationeel." De tegemoetkoming bestond uit "ontheffing ... voor zoodanig bedrag als wordt aangetoond ... aldaar aan Rijksbelasting te zijn betaald, met dien verstande, dat deze ontheffing ten hoogste de helft bedraagt van de belasting, hier te lande verschuldigd". Het amendement werd vervangen door een gewijzigd amendement (nr. 42), strekkende tot invoering onder meer van een nieuw art. 96 a, lid 2: "Indien eene vennootschap ... voor ten minste negentiende gedeelten in het bezit is van het uitgegeven aandeelen-kapitaal eener vennootschap ..., welke in het buitenland is gevestigd en aldaar aan eene belasting is onderworpen, die, ten behoeve van den Staat, in eenigen vorm naar de winst wordt geheven, wordt de helft van het bedrag, dat in een boekjaar genoten wordt ter zake van het bezit dier aandeelen, ... afgetrokken." Het amendement werd niet in behandeling genomen, nadat art. 100 I.B. '14 was geredigeerd: "Vóór 1 Januari 1915 wordt een voorstel van wet ingediend, waarbij geregeld wordt in welke gevallen eene vennootschap ..., die niet uitsluitend binnen het Rijk aan eene inkomstenbelasting of andere naar de winst geheven belasting is onderworpen, recht heeft op vermindering of ontheffing van belasting." (Handelingen, blz. 2099, Iinkerkolom, 2e en 3e al.).
ten vollein de Nederlandsche belasting betrekken van vennootschappen ..., die tevens of uitsluitend in het buitenland werkzaam zijn, blijft de ondergeteekende verkeerd achten." Het Voorloopig verslag, 3e al., meldt voorts: "Eenigen meenden intusschen, dat ook voor gedeeltelijke vrijstelling van de z.g. holding companies analoge gronden pleiten". Naar aanleiding hiervan werd bij Nota van wijzigingen (nr. 6) art. 100ter I.B. '14 alsnog geredigeerd overeenkomstig het reeds geciteerde gewijzigde amendement-De Meester.
volleter zake van (het) aandeelenbezit genoten bedrag (zonder dat) eerst de verschuldigde obligatierente (ter zake van een obligatieleening, aangegaan ten einde het bezit van de aandeelen te kunnen verwerven) daarvan in mindering moest worden gebracht.... Art. 29, zoo werd overwogen, gaat er van uit, dat een bedrag, hetwelk in ... het buitenland aan belasting is onderworpen, hier te lande (althans gedeeltelijk) van belasting moet zijn vrijgesteld. Welnu, in het onderwerpelijke geval moest die redeneering leiden tot het buiten aanmerking laten van de obligatierente, aangezien hiermede de buitenlandsche vennootschap en de haar belastende vreemde staat principieel niets te maken kon hebben." H.R. 29 februari 1928, B. 4231, overwoog onder meer, "dat art. 29 ... ten doel heeft om onder zekere voorwaarden te voorkomen onder meer, dat winst, welke een binnen het Rijk gevestigde naamlooze vennootschap geniet uit aandeelen, die zij bezit in het kapitaal eener in het buitenland gevestigde vennootschap en welke ten behoeve van den buitenlandschen staat reeds belast is, hier te landen opnieuw wordt belast". H.R. 2 november 1932, B. 5312, overwoog, "dat nu de Gesellschaft ..., wier aandeelen allen in het bezit zijn (van de belanghebbende), wel ... een bedrag van ƒ 27.140 aan niet uitgekeerde winst heeft gemaakt, en al mocht daarover in Duitschland belasting zijn geheven, toch, waar van eene uitkeering van deze winst op de aandeelen geen sprake is geweest, een "genieten" van dit bedrag voor de (belanghebbende) niet heeft plaats gegrepen, al moge ook de waarde dezer aandeelen zijn gestegen". H.R. 29 mei 1935, B. 5874, overwoog, "dat ... bij de machtspositie, welke de moedermaatschappij in de dochtermaatschappij bezit en waardoor de eerste de vaststelling van het dividend van de laatste beheerscht, het voor de moedermaatschappij geenszins onverantwoord is om bij het afsluiten van haar eigen boekjaar rekening te houden met de binnenkort vervallende en, voorzoover onzeker, in haar eigen macht staande aanspraak op een uitkeering uit winst, welke op dat oogenblik reeds door de dochtermaatschappij is gemaakt; ... dat het doel van het voorschrift - voorkoming van dubbele belasting - ... niet zou worden bereikt, indien onder het genieten door de belastingplichtige in voormeld artikel iets anders ware te verstaan dan het ten goede komen aan de winst- en verliesrekening van die belastingplichtige".
Besluit op de Winstbelasting 1940(W.B. ’40) luidde, voor zover thans van belang: "(2) Indien in de belastbare winst eenig bedrag is begrepen wegens zuiver voordeel uit deelgerechtigdheid in de al dan niet verdeelde winst van een andere vennootschap ... wordt op de belastbare winst ... een aftrek in rekening gebracht ten bedrage van: 1) het volle bedrag van bedoeld zuiver voordeel, indien de andere vennootschap ... binnen het Rijks was gevestigd; 2) negen tienden van bedoeld zuiver voordeel, indien de andere vennootschap ... niet binnen het Rijk was gevestigd en ter plaatse van haar vestiging was onderworpen aan een landsbelasting, die in eenigen vorm naar de winst werd geheven. 3) Bij het vaststellen van het zuivere voordeel, bedoeld in het vorige lid, wordt rekening gehouden met de kosten van beheer en de beroepskosten, evenals met de rente van vreemde middelen, waarmede het betreffende aandeelenbezit wordt gefinancierd." Deze bepaling is overgenomen uit het Nader gewijzigd ontwerp van wet tot heffing van een winstbelasting (Eerste Kamer, 1939-1940 - 239), welks geschiedenis is beschreven door J.H. Christiaanse, Deelnemingsvrijstelling, 1962, blzz. 52. Ik volsta met vermelding van het volgende.
zoodanigniet een deel van de winst wordt toegerekend." In het Voorlopig verslag (nr. 4, Artikel 7,
Eerste en tweede lid, 1e - 6e al.) werd de juistheid van de beperking en haar omvang uitsluitend behandeld met betrekking tot lichamen die zelf in het buitenland aan belasting onderworpen zijn. "Naar aanleiding" daarvan, aldus de Memorie van antwoord, nr. 5, ibid., 1e al., "heeft de ondergeteekende de vermindering van twee-derden verhoogd tot negen-tienden. Hiermede is practisch alles gedaan, wat op het stuk van voorkoming van dubbele belasting in redelijkheid kan worden verlangd: het tiende gedeelte van wat men desnoods de .... buitenlandsche winst zou kunnen noemen, is het bedrag, dat aan Nederland als land van de hoofdleiding wordt toegerekend. Dit is derhalve in feite Nederlandsche winst. Slechts om geschillen van allerlei aard te voorkomen, wordt eerst de winst gesplitst alsof aan de hoofdleiding niets competeerde, en wordt van het aldus verkregen bedrag van de schijnbaar niet-Nederlandsche winst een tiende gedeelte aan Nederland toegewezen." Tegelijkertijd werd de aftrek ter zake van het bezit van aandelen bij de Nota van wijzigingen (t.a.p.) bepaald op (negen tienden van) het zuivere voordeel en werd een formule voorgeschreven ter bepaling van de af te trekken kosten. De Memorie van antwoord (blz. 32, rechterkolom, 2e al.) zei: "Hierbij dient te worden bedacht, dat het bezit van een aandelenportefeuille ook kosten van beheer medebrengt. Niet het bruto voordeel uit aandeelenbezit, doch het netto voordeel draagt bij tot de winst van het lichaam. Slechts dit zuivere voordeel zou, zoo de aftrek niet werd verleend, dubbel worden belast." Tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer werd de formule teruggenomen (Derde nota van wijzigingen, nr. 19; Minister De Geer, Handelingen, blz. 1487, linkerkolom, 2e al. v.o.).
zuivervoordeel is slechts sprake (art. 7, lid 3) na aftrek van de kosten van beheer (vooral van belang bij beleggingsmaatschappijen) en van de beroepskosten welke het genietende lichaam als tantièmist (b.v. directeur van een ander lichaam) heeft te maken.... De opsomming, vervat in het derde lid, is overigens niet limitatief."
Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942(Vpb ’42) regelde deze materie in art. 10 ("1. Heeft de belastingplichtige sedert het begin van het jaar onafgebroken een aanmerkelijk belang gehad bij een vennootschap ..., dan blijven de ter zake van dat belang genoten dividenden buiten beschouwing, voor zoover deze niet in mindering gebracht worden op de boekwaarde van het aandeelenbezit. Met betrekking tot een deelneming in een vennootschap, welke buiten het Rijk gevestigd is, is de vrijstelling slechts van toepassing, indien deze vennootschap aan een gelijksoortige buiten het Rijk geheven belasting onderworpen is. ...") en art. 15 ("Met bedrijfskosten wordt geen rekening gehouden, voor zoover zij verband houden met gedeelten van de winst, welke niet aan de belasting zijn onderworpen.").
niet ten volleals bedrijfskosten worden aangemerkt". Het gaat o.a. om de kosten verbonden aan het verwerven van de dividenden uit (pakketten) aandelen, dus b.v. de safe-kosten, de provisie van banken, de kosten van administratie van de dividenden e.d. Dergelijke kosten, gemaakt voor de inning van dividenden, welke buiten de vrijstelling vallen (b.v. omdat de n.v. de aandelen eerst in de loop van een boekjaar heeft genomen, art. 10, 1e lid, Vpb.), vallen m.i. buiten de werking van art. 15 Vpb Pro. De Hoge Raad oordeelt hierover anders; 23 maart 1955, B.N.B. 1955/169, blz. 411, regels 1 t/m 4." Dit betoog komt mij juist voor, - met dien verstande dat ik in het genoemde arrest geen oordeel over deze kwestie lees.
Vpb '69luidt, voor zover thans van belang: "1. Ingeval de belastingplichtige sedert het begin van het jaar onafgebroken een deelneming heeft gehad in een vennootschap ..., blijven voordelen uit hoofde van die deelneming ... bij het bepalen van de winst buiten aanmerking ... 3. Met betrekking tot een deelneming in een vennootschap ... welke niet binnen het Rijk is gevestigd, is het eerste lid slechts van toepassing, indien deze vennootschap ... vanwege ... een andere Mogendheid aan een belasting is onderworpen die aldaar in enige vorm naar de winst wordt geheven. 4. Kosten welke verband houden met de deelneming ... komen slechts in aftrek indien en voor zover aannemelijk is dat zij middellijk dienstbaar zijn aan het behalen van binnen het Rijk belastbare winst ... 7. Een deelneming in een vennootschap welke niet binnen het Rijk is gevestigd, wordt aanwezig geacht indien de belastingplichtige voor ten minste vijf percent van het nominaal gestorte kapitaal van de vennootschap aandeelhouder is, tenzij aannemelijk is dat de aandelen als belegging worden gehouden."
a, als in het geval ad
b, ten laste komen van de binnen het Rijk belastbare winst van de Nederlandse moeder-n.v., met welke winst de rentelast geen enkel verband heeft, omdat de geldlening tot het behalen van de winst niet dienstbaar is geweest, Zonder art. (13), vierde lid, zou de deelnemingsvrijstelling duidelijk een te ruime faciliteit bieden. Buitenlandse concerns zouden bijvoorbeeld nieuwe n.v.'s in het buitenland kunnen laten oprichten door een Nederlandse dochter (produktiemaatschappij), die het kapitaal voor de oprichting te leen krijgt van de Nederlandse moeder. De rente komt dan ten laste van de Nederlandse (produktie)winst, terwijl de dividenden vrij doorstromen naar de buitenlandse moeder."
derde middel, dat ik het eerst moge behandelen, stelt aan de orde, welk bedrag in het onderhavige geval gebracht kan worden onder de "voordelen uit hoofde van (de) deelneming", als bedoeld in art. 13, lid 1, Vpb. '69, voor wat betreft het dividend [A] . Uit 's Hofs uitspraak (rechtsoverweging 2, blz. 3 v.) blijkt, dat "de bij de aangifte gevoegde verlies- en winstrekening luidde als volgt:
OntvangstenDividend (f) 304.500.00 ...
KostenKoersverschil (ƒ) 9.420.91"; (rechtsoverweging 3, blz. 5) "dat volgens belanghebbende de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voordelen in casu bestonden in het door [A] betaalbaar gestelde dividend, omgerekend in Nederlandse guldens volgens de ten tijde van de betaalbaarstelling geldende koers van de Italiaanse lire bedragende ƒ 304.500,--"; (rechtsoverweging 4, blz. 4) "dat de Inspecteur het door belanghebbende uit hoofde van de onderhavige deelneming genoten voordeel stelt op ƒ 295.000,--, zijnde het bedrag van het door belanghebbende in feite ontvangen dividend". In 's Hofs overweging "omtrent het geschil" (blzz. 7 e.v.) is aan dit geschilpunt geen aandacht besteed, maar blijkens 's Hofs dictum heeft het Hof de Inspecteur gevolgd.
eerste middelberust
primairop de stelling, dat (blz. 4, 2e al.) "alle voor- en nadelen die bij een belastingplichtige opkomen op grond van enige gekozen wijze van financieren, kosten verbonden aan deze wijze van financieren" zijn. Derhalve zou, zo begrijp ik het betoog, de devaluatiewinst ten bedrage van ƒ 13.906,93 als negatieve niet-aftrekbare kosten buiten het belastbare bedrag moeten worden gehouden.
tweede middelklaagt erover, dat het Hof alle kosten zonder onderscheid heeft betrokken op de vrijgestelde winst, derhalve mede:
H.R. 7 november 1973, B.N.B. 1974/2 met noot Hofstra, Vakstudie-Nieuws 8 december 1973, punt 11, Tvvs 1973, jaargang 16, blz. 343 met noot C. van Soest, 1974, jaargang 17, blz. 131 met noot W.P. van Sikkelerus, F.E.D. Vpb '69. Art. 13:2 met Pro noot J.G.A. Molenaar, W.F.R. 5175 d.d. 11 april 1974, jaargang 103, blz. 341 met noot G. Telkamp (zie ook D. Juch, De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting, 1974, blzz. 50 e.v.; Ch.P.A. Geppaart, Nederlands Juristenblad, 17 augustus 1974, jaargang 49, blz. 908; Christiaanse, Maandblad belastingbeschouwingen, september 1974, jaargang 43, blz. 193 v.; Den Boer, Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie 5304 d.d. 19 april 1975, jaargang 106, blz. 295 v.). Naar het mij voorkomt, is evenwel de vraag, of de belanghebbende een bedrijf uitoefent, mede van feitelijke aard en was derhalve het Hof gebonden aan het eenstemmige oordeel van de partijen, dat de deelnemingsvrijstelling in beginsel van toepassing was.