Conclusie
De feiten.
Het verloop van de procedure
voorwaardelijk, voor het geval het principaal beroep van de Gemeente tot vernietiging van het bestreden arrest mocht leiden. IKON voert een middel aan, bestaande uit de (sub-)onderdelen 1 (1.1–1.3) en 2.
Middel Iricht zich tegen het eerste tussenarrest d.d. 25 juni 1981.
los daarvan, bovendienin strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dit verwijt ontbeert feitelijke grondslag. Het hof heeft het gemeentelijk handelen niet aan genoemd beginsel getoetst
onafhankelijk vande vraag of de Gemeente in strijd met de goede trouw heeft gehandeld. Het hof heeft in appelgrief 2 een beroep op het gelijkheidsbeginsel gelezen. Blijkens de inkleding van die grief (zie r.o. 1, p. 3, van het eerste tussenarrest) herhaalt IKON daarin haar stelling dat de Gemeente haar rechten heeft verwerkt, althans dat haar vordering tot nakoming van de erfpachtsvoorwaarden niet te goeder trouw ten opzichte van IKON is. De
rechtsverwerkingbehandelt het hof in de r.o. 5–7; IKON's standpunt wordt verworpen; dit punt is in cassatie niet meer aan de orde. Daarna, in r.o. 8–18, bespreekt het hof de rest van appelgrief 2, derhalve het beroep van IKON op
strijd met de goede trouw(lees: voor zover niet reeds opgaande in het beroep op rechtsverwerking). De gedachtengang van het hof vertoont twee, duidelijk van elkaar te onderscheiden fasen. In r.o. 9–11 komen alleen stellingen van IKON aan de orde die
uitsluitendbetrekking hebben op
de aardvan het onderhavige pand. De uitkomst van de door het hof uitgevoerde redelijkheidstoetsing (r.o. 11) is, dat die stellingen het beroep op strijd met de goede trouw niet kunnen dragen. Het hof brengt dat tot uiting door in r.o. 11 de weigering van B + W
marginaalte toetsen. Klaarblijkelijk berust 's hofs beslissing op de rechtsopvatting, dat toetsing aan de goede trouw (= redelijkheid en billijkheid) in het onderhavige geval niet een
volledigetoetsing is, maar beperkt blijft tot een marginale redelijkheidstoetsing. Ik kom hierop terug in nr. 8. In de r.o. 9–11 spreekt het hof zich dus niet uit over eventuele stellingen van IKON die
niet uitsluitendop
de aardvan het onderhavige pand betrekking hebben. Anders dan pleiter voor de Gemeente heeft betoogd (‘’toelichtende memorie’’ van Mr. Schutte d.d. 10 oktober 1986, p. 12 onderaan; zie ook p. 29) is derhalve de kous
nietaf met het oordeel in r.o. 11, dat B + W
andereargumenten en daarmee een andere kwestie aan de orde. Het hof legt daar een direct verband tussen de goede trouw van art. 1374 lid 3 BW Pro en het gelijkheidsbeginsel als maatstaf van het bestuursrecht. Zie met name r.o. 12. In r.o. 16 zegt het hof dat in het onderhavige geval IKON's beroep op het gelijkheidsbeginsel ‘’in beginsel gerechtvaardigd is’’, hetgeen mede blijkens r.o. 18 betekent dat de Gemeente in casu ‘’in beginsel’’ in strijd met de goede trouw handelt; tenzij
Middelonderdeel I–3begint met de klacht dat 's hofs oordeel in r.o. 12, tweede alinea, dat
in haar algemeenheidde beslissing van het hof niet draagt. Immers, het hof formuleert daarin slechts een algemeen uitgangspunt, maar baseert zijn beslissing op grief 2 op de beantwoording van de meer concreet toegespitste vraag, of de Gemeente in strijd handeld met het gelijkheidsbeginsel en daarmee
in het onderhavige geval in strijd met de goede trouw door nakoming van de erfpachtsvoorwaarden te vorderen in het licht van de stellingen van IKON, vermeld in r.o. 14. Of het handelen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur
in het algemeenin strijd is met de goede trouw als bedoeld in art. 1374 lid 3 BW Pro, is
daarnaastniet van belang. Zie de laatste alinea van nr. 3 van deze conclusie.
overeenkomst van erfpachtde algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht behoort te nemen? Als dat zo is, heeft de Gemeente m.i. geen belang bij haar klacht tegen de nog iets ruimer geformuleerde beslissing van het hof.
geeninstemming heeft betuigd met toetsing van (privaatrechtelijk) overheidshandelen aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Hoge Raad heeft slechts — in overeenstemming met de conclusie O.M. (NJ 1986, p. 1277 links, sub 4, laatste alinea) — overwogen dat het slot van middelonderdeel II-1 het arrest van het hof verkeerd leest.
tweedeklacht van
middelonderdeel I–3luidt, dat in r.o. 16 het gelijkheidsbeginsel als criterium op onjuiste wijze wordt gehanteerd. Die klacht valt uiteen in twee subklachten.
a, over de redelijkheidstoetsing.
nietinhoudt dat het hof ten onrechte het handelen van de Gemeente
rechtstreeksheeft getoetst aan een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Of dit laatste aan de burgerlijke rechter is toegestaan, blijve daarom thans rusten. Aan de orde is nu alleen of strijd met het gelijkheidsbeginsel zonder meer strijd met de goede trouw ex art. 1374 lid 3 BW Pro oplevert. Ik licht dit laatste nog even toe.
dieklacht die in r.o. 18 in beginsel gegrond bevonden wordt.
goede trouwspeelt bij de uitvoering van een tussen de Gemeente en een particulier gesloten erfpachtovereenkomst als de onderhavige. Bij deze overeenkomst vormden de publiekrechtelijke bevoegdheden van de Gemeente als zodanig niet het onderwerp. Wel doet zich hier een geval voor van een overheidslichaam dat zich ter behartiging van een hem door de wet opgedragen taak (het voeren van een planologisch beleid) bedient van een ‘’gewone’’ privaatrechtelijke overeenkomst. Dit laatste staat de overheid in beginsel vrij; vergl. HR 19 januari 1962, NJ 1962, 151 (J.H. Beekhuis) en HR 23 december 1976, NJ 1977, 409 (W.M.K.), en wat de litteratuur betreft: Van Wijk/Konijnenbelt, ‘’Hoofdstukken van Administratief Recht’’ (1984), p. 263 e.v., met veel gegevens. Recentelijk: H.J. de Ru in zijn noot in het jubileumnummer van AB d.d. 20 december 1986, onder AR 5 augustus 1985, nr. 561, sub 3 e.v.
goede trouw— die in het nieuwe BW is omgedoopt in: ‘’redelijkheid en billijkheid’’: art. 6.1.1.2 en art. 6.5.3.1. Het is echter mogelijk dat de goede trouw een enigszins andere inhoud heeft voor de overheid dan voor een particulier als contractant (G.J. Wiarda, preadv. VAR 1943, p. 57 en 61). Hetzelfde geldt, dunkt me, voor de rol van de burgerlijke rechter bij toetsing aan de goede trouw. Betreft het particulieren, dan zal de rechter die over de feiten oordeelt, rechtstreeks en volledig toetsen. De Hoge Raad zal dat dikwijls ook doen, met name wanneer de vraag wat de goede trouw in het concrete geval meebrengt, een rechtsvraag is. Is die vraag verweven met feitelijke waarderingen, dan zal de Hoge Raad zich beperken tot een ‘’marginale’’ toetsing van de beslissing van de judex facti: heeft laatstgenoemde, zonder uit te gaan van een verkeerde rechtsopvatting, tot de bestreden beslissing
kunnenkomen? Bij de cassatietoetsing wordt aldus aan de feitenrechter een zekere vrije ruimte gelaten.
goede trouw(redelijkheid) — die zij verplicht was in acht te nemen — dient zowel de feitenrechter als de Hoge Raad die vordering niet volledig en rechtstreeks aan de redelijkheid te toetsen, maar zich te beperken tot de marginale redelijkheidstoets van het willekeur-criterium.
goede trouw, uitsluitend hierop heeft gegrond dat de Gemeente door deze weigering afweek van het beginsel van gelijke behandeling van de betrokkenen.
verbod van willekeurkomt te vallen. Zie C.J.N. Versteden, ‘’Het falende gelijkheidsbeginsel’’, Geschriften VAR XCIII (1985), p. 60–61.
a fortioridat een redelijkheidstoets noodzakelijk is, nu immers goede trouw = redelijkheid en billijkheid (zie art. 6.1.1.2 en 6.5.3.1 NBW).
middelonderdeel I–3gegrond in zijn klacht, dat het hof niet zonder de — in r.o. 8 vooropgezette — (marginale) redelijkheidstoetsing in r.o. 16 en 18 tot het oordeel dat sprake is van strijd met de goede trouw, mocht komen. Het hof heeft zijn programma van de redelijkheidstoetsing (r.o. 8) ten onrechte slechts ten dele uitgevoerd: wel voor Ikon's stellingen betreffende de aard van het onderhavige pand (r.o. 9–11), niet voor Ikon's beroep op het gelijkheidsbeginsel (r.o. 12 en 14 e.v.). Ik citeer HR 25 april 1986, NJ 1986, 714 m.nt. G (en met vermelding van vele andere plaatsen waarin dit arrest is gepubliceerd), r.o. 3.3, tweede alinea:
als overheidis.
definitiedie men van het begrip ‘’gelijkheidsbeginsel’’ geeft, is derhalve beslissend: wel of niet inclusief marginale redelijkheidstoetsing? Zoals uiteengezet in deze conclusie sub 7 is het in overeenstemming met het bestuursrechtelijke spraakgebruik en met HR 13 maart 1981, NJ 1981, 346, om — anders dan in de opvatting van Droogleever Fortuijn — het verbod van willekeur
nietin het gelijkheidsbeginsel begrepen te achten. Overigens
behoeftgenoemde opvatting niet mee te brengen dat iedere schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, het doet er niet toe welk, willekeur impliceert; maar zijn visie op het gelijkheidsbeginsel brengt zulks wel mee. Als het hof dezelfde opvatting over ‘’het gelijkheidsbeginsel’’ heeft gehuldigd, dan zou de laatst besproken klacht van
middelonderdeel I–3(dat het hof
zonderde marginale redelijkheidstoetsing niet had mogen komen tot het oordeel dat sprake is van strijd met de goede trouw), feitelijke grondslag missen.
dusis er, volgens het hof, strijd met de goede trouw.
geen behoefte heeftaan het hanteren van bijvoorbeeld ‘’algemene beginselen van behoorlijk bestuur’’. Deze visie — verkort weergegeven voor contractuele verhoudingen: het begrip ‘’goede trouw’’ is ruim genoeg — was reeds eerder verdedigd door het lid van Uw Raad Bloembergen; zie de Van Opstall-bundel (1972), p. 25 e.v., met name p. 31–34, alsmede ‘’Contracten met de overheid, in het bijzonder in de bouw’’ (1976), p. 6–7 en p. 33–42. In dezelfde zin R.S. Meijer in ‘’Praktijkboek Administratiefrecht’’ XIV, sub 7.1, p. 104 (suppl. mei 1977), en sub 7.3.2, p. 109–110 (suppl. dec. 1978). Vergl. J. Spier in het losbladige ‘’Contractenrecht’’ VIII, nr. 118, p. 246–247 (suppl. aug. 1986). De Haan c.s., ‘’Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat’’ I (1986), p. 359, noemt de opvatting van Bloembergen ‘’een verdienstelijke poging’’ tot oplossing van de ‘’doorkruisingsproblematiek’’ (d.w.z.: van publiek- en privaatrecht; F.), maar meent dat daardoor
altijdschending van art. 1 Grondwet Pro oplevert en dat de rechter zulks ambtshalve, als een zaak van openbare orde, dient vast te stellen, zodat reeds daarop de thans besproken klacht van middelonderdeel I–3 afstuit?
willekeurig(cursivering door mij; F.) afwijken van het gevoerde beleid.’’
onderdeel 4van
middel Ibevat motiveringsklachten tegen de inleidende overweging sub 16 van het eerste tussenarrest, dat
willen maken, maar met het oog op de ‘’in de periode 1974/1975’’ gevormde rechtspraak van G.S. niet meer met vrucht
kon maken. Toen is de Gemeente zich gaan bedienen van de erfpachtsvoorwaarden om de woonbestemming te handhaven. Het erfpachtsvoorwaardenbeleid kreeg toen een zelfstandig karakter, het volgde niet langer blindelings het huisvestingsbeleid.
allegevallen waarin bestemmingswijziging was gevraagd, dus ook die gevallen waarin de Gemeente ‘’voorheen’’ wel huisvestingsbezwaren had? Of had de Gemeente in de gedachtengang van het hof ‘’voorheen’’ wellicht
nooithuisvestingsbezwaren? Als het hof het een of het ander heeft bedoeld, dan is dat niet te baseren op de in r.o. 14 en 15 vermelde stellingen van partijen. De geciteerde stellingen van Ikon zijn immers niet zo ruim geformuleerd. De derde alinea van blz. 3 van haar memorie van grieven bezigt de goedkeuring van de Dienst Volkshuisvesting als hypothese, niet als (algemeen geldende) these. Ikon sluit geenszins uit dat ‘’voorheen’’ in bepaalde gevallen de goedkeuring op grond van aan het huisvestingsbeleid ontleende bezwaren werd geweigerd; integendeel, de vierde alinea (memorie van grieven, p. 3) geeft aan dat dat wel degelijk gebeurde voordat de GS-rechtspraak werd gevormd. Derhalve is uit de stellingen van partijen, bedoeld in de r.o. 14 en 15, niet af te leiden (‘’Nu aldus tussen partijen vaststaat …..’’) dat vergunning tot bestemmingswijziging ‘’voorheen’’ ook werd gegeven in gevallen waarin de Gemeente wel huisvestingsbezwaren koesterde.
zijngemaakt, zij het dat de Gemeente bij G.S. aan het kortste eind heeft getrokken (r.o. 19 eerste tussenarrest) — en bij KB d.d. 23 juli 1980 nr. 58 (door de Gemeente overgelegd als prod. 4 bij memorie van antwoord) voor wat de door G.S. in aangelegenheden als deze gehanteerde maatstaf betreft, tenslotte in het gelijk is gesteld.
onderdeel 4 van middel I— en, voortbouwend daarop, door
onderdeel 5van het middel — met succes wordt aangevallen, kan bedoelde bewijsopdracht en kunnen de drie bestreden arresten van het hof niet in stand blijven. De feitenrechter zal het beroep van Ikon op het gelijkheidsbeginsel opnieuw hebben te beoordelen.
onderdelen 3, 4 en 5van
middel Ivan de Gemeente mij gegrond voorkomen en reeds daarom de bestreden arresten van het hof zullen moeten worden vernietigd, moge ik de verdere klachten van het principale beroep laten rusten.
incidentelecassatieberoep moet in mijn opvatting worden behandeld.
Onderdeel 2van middel I (onderdeel 1.1 bevat geen klacht) in het incidentele beroep bevat de klacht dat het hof ten onrechte niet reeds in de r.o. 9–11 van zijn eerste tussenarrest rekening heeft gehouden met het beroep van Ikon op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, welke beginselen (van behoorlijk bestuur) het hof pas in r.o. 12 e.v., in ander verband, in aanmerking neemt.
Onderdeel 3van het incidentele middel I bestrijdt de verwerping in r.o. 13, tweede alinea (eerste tussenarrest), door het hof van het beroep op het vertrouwensbeginsel. De in r.o. 6 gebezigde gronden (van verwerping van Ikon's beroep op rechtsverwerking) zijn, aldus het onderdeel, ontoereikend om ook het beroep op het vertrouwensbeginsel te verwerpen; althans is r.o. 13, tweede alinea, onbegrijpelijk in de motivering van die verwerping.
isopgewekt, valt er geen vertrouwen te beschermen. Dat is wat het hof in r.o. 6 tot uiting heeft gebracht. Het bestaan van vertrouwen is een minimumvoorwaarde voor het slagen van een beroep op het vertrouwensbeginsel. Anders dan het onderdeel aanneemt is niet doorslaggevend of Ikon al dan niet bekend was met bepaalde omstandigheden, maar of Ikon een bepaald vertrouwen
heeft gekoesterden op grond van dat vertrouwen
heeft aangenomendat het haar vrijstond om het perceel als kantoor in gebruik te nemen. Het hof heeft die vragen ontkennend beantwoord.
middelonderdeel 1.3af.
Onderdeel 2van het incidentele middel, dat zich richt tegen de beperking van de (aan de Gemeente door het eerste en het tweede tussenarrest van het hof gegeven) bewijsopdracht tot na 1 januari 1976 ingekomen verzoeken, kan onbesproken blijven, nu reeds wegens gegrondbevinding van de desbetreffende klachten in het principale beroep die bewijsopdracht als zodanig niet in stand kan blijven.
incidentele beroepkan derhalve niet tot cassatie leiden.
principalecassatieberoep (onderdelen 3, 4 en 5 van middel I) de arresten van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 25 juni 1981, 6 oktober 1983 en 3 januari 1985 zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een ander hof, alsmede het
incidentelecassatieberoep zal verwerpen; met veroordeling van Ikon in de gedingkosten.