Conclusie
Korte beschrijving van de zaak.
Aanduiding van het geschil in cassatie.
Aanbod van getuigenbewijs.
Kosten.
Vaste inrichting.
Eindafrekening.
Het Verdrag met Spanje.
Beschouwingen ambtshalve.
Conclusie.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam over de fiscale behandeling van een BV die haar feitelijke leiding verplaatste van Nederland naar Spanje op 6 maart 1986. De BV had in 1984 bedrijfsmiddelen vervreemd en de boekwinst ondergebracht in een vervangingsreserve. Het hof oordeelde dat vanaf de datum van verplaatsing de winst uit onderneming niet langer in Nederland belastbaar was en dat de vervangingsreserve daarom moest worden afgerekend over het deel van het jaar waarin de BV nog binnenlands belastingplichtig was.
De Hoge Raad bevestigt dat de BV op grond van het bilaterale belastingverdrag tussen Nederland en Spanje vanaf 6 maart 1986 als inwoner van Spanje moet worden aangemerkt, waardoor de winst uitsluitend in Spanje belastbaar is. Dit betekent dat de BV vanaf die datum ophoudt in Nederland belastbare winst te genieten en dat artikel 16 Wet Pro IB 1964 in samenhang met artikel 8 Wet Pro Vpb 1969 een eindafrekening voorschrijft.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad klachten over het niet horen van getuigen en de niet in aanmerking genomen kosten, maar verklaart deze ongegrond omdat het hof zijn feitenbeoordeling zorgvuldig heeft gemotiveerd en de bewijsmiddelen waarderend heeft toegepast. Ook het standpunt dat de werkzaamheden van een gemachtigde in Nederland als vaste inrichting moeten worden aangemerkt, wordt niet in cassatie onderzocht omdat het een feitelijke beoordeling betreft die niet voor cassatie vatbaar is.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat de fiscale gevolgen van de verplaatsing van de feitelijke leiding naar Spanje leiden tot een eindafrekening in Nederland over de periode tot 6 maart 1986.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof bevestigd dat de BV vanaf 6 maart 1986 ophoudt in Nederland belastbare winst te genieten, waardoor een eindafrekening moet plaatsvinden.