Conclusie
objecten niet de opheffing van het
subject.
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende, een vennootschap naar Nederlands recht opgericht en statutair gevestigd te Amsterdam, was tevens feitelijk geleid vanuit de Verenigde Staten en exploiteerde een onderneming in Ierland. De Inspecteur stelde het aanloopverlies voor de vennootschapsbelasting op nihil vast, omdat geen vaste inrichting in Nederland bestond en er geen binnenlandse inkomsten waren.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat belanghebbende een onderneming van Ierland was in de zin van het Verdrag Nederland-Ierland, en dat zonder vaste inrichting in Nederland geen belastbare winst kon worden vastgesteld. Belanghebbende voerde verzet tegen de analogische toepassing van het grensambtenarenarrest (BNB 1980/170) op de vennootschapsbelasting.
De Hoge Raad bevestigde dat het heffingsrecht van Nederland beperkt is tot winst die in Nederland is behaald en dat verliezen in de andere staat de Nederlandse belastingheffing niet beïnvloeden. De beperkte binnenlandse belastingplicht betekent een beperking van het heffingsrecht, niet de opheffing ervan. Het beroep van belanghebbende werd verworpen.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van belastingverdragen op vennootschappen met dubbele vestigingsplaats en bevestigt dat de feitelijke leiding en vaste inrichting bepalend zijn voor de toedeling van het heffingsrecht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen; de beperkte binnenlandse belastingplicht blijft van toepassing.