ECLI:NL:PHR:1993:BH8486
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing deelnemingsvrijstelling bij liquidatieverlies en voortzetting onderneming binnen concern
Belanghebbende, een internationaal opererende vennootschap, heeft een verlies van circa 30 miljoen gulden opgevoerd in verband met de liquidatie van haar Amerikaanse dochtermaatschappij U.S. Inc. De Inspecteur heeft dit verlies niet aanvaard, wat leidde tot procedures bij het Gerechtshof Amsterdam over de jaren 1978-1982.
Het geschil richt zich op de uitleg en toepassing van artikel 13 lid Pro 5 (oud) Wet Vpb '69, dat liquidatieverliezen regelt. De kernvraag is of een liquidatieverlies in aanmerking kan worden genomen wanneer de onderneming van de geliquideerde dochter binnen het concern wordt voortgezet en de verliescompensatiemogelijkheden niet verloren zijn gegaan.
Het Hof oordeelde dat liquidatieverlies kan worden genomen ondanks voortzetting van de onderneming binnen het concern en behoud van verliescompensatie, en verwierp de stelling dat de reorganisatie hoofdzakelijk was gericht op belastingbesparing. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en vernietigt het hofarrest wegens een ander middel. De zaak illustreert de complexe verhouding tussen liquidatieverliesregeling en deelnemingsvrijstelling onder het oude regime.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat liquidatieverlies kan worden genomen ondanks voortzetting van de onderneming binnen het concern en behoud van verliescompensatie, mits geen sprake is van frauduleus handelen.