ECLI:NL:PHR:1999:AA2920
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het begrip economische eigendom in overdrachtsbelasting bij risicoclausule in koopakte
In deze zaak gaat het om de vraag of bij de koop van een woning met een clausule dat het risico van tenietgaan bij de verkoper blijft, sprake is van overdracht van economische eigendom in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR). Belanghebbende en zijn echtgenote kochten een woning van de vader van de echtgenote, waarbij in de akte was opgenomen dat het risico van tenietgaan bij de verkoper bleef en dat er geen overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn.
De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op, maar het Hof stelde belanghebbende in het gelijk. Het Hof oordeelde dat de risicoclausule geen schijnclausule was, dat het risico van tenietgaan niet op de koper was overgegaan en dat er geen sprake was van overdracht van economische eigendom. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in met het middel dat het Hof het begrip economische eigendom onjuist had uitgelegd.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven. De essentiële elementen van economische eigendom zijn het risico van waardeverandering en tenietgaan, waarbij enig risico voldoende is. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat het risico van tenietgaan niet op belanghebbende is overgegaan, mede omdat de verkoper de opstalverzekering bleef voortzetten en partijen geen vergoeding voor het risico hadden bedongen. De motiveringsklachten en bewijslastverdeling zijn eveneens ongegrond verklaard. De conclusie luidt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen; het hof heeft het begrip economische eigendom juist uitgelegd.