ECLI:NL:PHR:2001:AB2767
Parket bij de Hoge Raad
- Wattel
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de eindheffingsregeling en overgangsrecht bij naheffingsaanslagen reiskostenvergoeding
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de eindheffingsregeling ingevoerd per 1 januari 1997 op naheffingsaanslagen die zien op reiskostenvergoedingen verstrekt in de jaren 1993 tot en met 1995. De belanghebbende had aan gedetacheerde werknemers een reiskostenvergoeding gegeven zonder loonheffing in te houden, terwijl uit controle bleek dat het reiskostenforfait van toepassing was vanwege het aantal reisdagen. De Inspecteur legde twee naheffingsaanslagen op: een enkelvoudige naheffing over het bovenmatige deel en een tweede aanslag tot brutering van de eerste, waartegen bezwaar en beroep werden ingesteld.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de eindheffingsregeling met het enkelvoudige tarief ook geldt voor naheffingen die betrekking hebben op loontijdvakken vóór 1 januari 1997. De Hoge Raad stelt dat de wet geen specifiek overgangsrecht bevat en dat de hoofdregel van onmiddellijke werking geldt, waardoor de regeling ook op bestaande rechtsposities en verhoudingen van toepassing is. Dit betekent dat de eindheffingsregeling ook geldt voor de naheffing over bovenmatige kostenvergoedingen, ook als deze betrekking hebben op anterieure perioden.
De Hoge Raad benadrukt dat de regeling een materiële wijziging van het loonbegrip inhoudt, waarbij het voordeel van het afzien van verhaal van naheffingen sinds 1997 buiten het loonbegrip valt voor de bedoelde loonbestanddelen. De regeling is bedoeld om de administratieve lasten te verminderen en de bruteringsproblematiek te voorkomen. De Hoge Raad concludeert dat de naheffingsaanslag die tot brutering leidt, opgelegd over een voordeel dat sinds 1997 niet meer als loon wordt beschouwd, niet kan standhouden en dient te worden vernietigd.
De Hoge Raad wijst verder op het ontbreken van bijzondere omstandigheden die een beperking van de materiële terugwerkende kracht rechtvaardigen en verwerpt het subsidiaire standpunt van de Inspecteur dat het enkelvoudige tarief beperkt zou zijn tot de eerste 20 of 40 reisdagen. De regeling moet teleologisch worden uitgelegd en geldt voor het gehele bovenmatige deel van de vergoeding. De conclusie is dat het beroep gegrond is en de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag tot brutering van de enkelvoudige naheffing wordt vernietigd omdat de eindheffingsregeling met het enkelvoudige tarief onmiddellijke werking heeft en ook geldt voor perioden vóór 1997.