Conclusie
1.Procesverloop
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2005/64 [10] komt het Hof tot de slotsom dat in het geval als zich hier voordoet, het gehele bedrag van de vorderingen een belaste uitdeling vormt.
3.Het geding in cassatie
Tevens bestrijdt belanghebbende dat het Hof bij de kwalificatie van de vorderingen zijn beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen, welk beroep ziet op gedragingen van de Ontvanger jegens belanghebbende. Opnieuw heeft het Hof hierbij ten onrechte niet de civielrechtelijke vorm als uitgangspunt genomen. Ook is de verwerping van dit beroep onbegrijpelijk want de Ontvanger heeft beslag gelegd op de vorderingen.
4.Horizontaal toezicht en (al dan niet) rechtens te beschermen vertrouwen?
BNB1990/194 [18] (het zogeheten leidraad-arrest) en HR
BNB2003/295 [19] (over de standaardvoorwaarden voor toepassing van de fiscale eenheid). Overigens zou ik menen dat, gelet op dezelfde strekking, de rechtspraktijk is gebaat bij een eenvormige uitleg van de Leidraad MKB 2011 en bij zekerheid over de inhoud en strekking van wat de Leidraad MKB 2011 beschrijft als beleid(sregel). [20]
BNB1980/218, [29] waarin is beslist dat de rechter:
BNB2020/5 beslist voor een model dat de Belastingdienst hanteert en dat is overeengekomen met koepelorganisatie Aedes voor het sluiten van vaststellingsovereenkomsten over de integrale vennootschapsbelastingplicht van woningcorporaties. [33] Ik citeer:
BNB2020/5 in het bijzonder betrekking heeft op de vraag in hoeverre een bepaalde uitleg van het model past binnen de regels van fiscale winstbepaling, lijkt mij dat voor de uitleg van een model dat de Belastingdienst hanteert voor het sluiten van convenanten over horizontaal toezicht via fiscale dienstverleners, evengoed betekenis toekomt aan de mate waarin een bepaalde uitleg van dit model in overeenstemming is met de wet en aan de fiscale gevolgen waarin een bepaalde uitleg kan resulteren. Ik meen dan ook dat belanghebbende hieraan voorbijziet voor zover hij een – wat hij noemt [34] – zinnige uitleg van het Convenant voorstaat die navordering ontoelaatbaar acht maar uitoefening van andere wettelijke bevoegdheden van de inspecteur toelaatbaar. Zijn uitleg miskent dat de standaardversie de onverkorte toepassing van wet- en regelgeving nadrukkelijk insluit.
5.Niet-aflosbare aandeelhouderschulden en (al dan niet) uitdelingen van winst?
Aflossingsonwil en aflossingsonmacht
BNB1964/196 dit geval reeds als dat waarbij: [36]
BNB1964/196 duidde dit geval als dat waarin:
BNB1964/196: “(…) reeds aanstonds (…)”. Vergelijkbare bewoordingen zijn herhaald in HR
BNB2015/141. [42]
a fortioridenkbaar voor gelden die zijn verstrekt als een langlopende schuld of rekening-courantverhouding.
BNB2015/141 geen uitsluitsel. In dit arrest gaat het om leningen die een vennootschap wenst af te waarderen in het jaar van verstrekking, terwijl de inspecteur de afwaardering heeft geweigerd zonder te hebben gesteld dat aanstonds aannemelijk was dat de vorderingen niet kunnen of zullen worden afgelost. [44] Uit dit arrest kan dan ook niet worden afgeleid dat slechts naar het moment waarop de geldverstrekking plaatsvindt, wordt beoordeeld of de ab-houder niet kan aflossen. [45]
BNB2005/64 uitsluitsel. [46] Ook in dit arrest gaat het om een door een vennootschap aan de ab-houder verstrekte lening waarvan ten tijde van het verstrekken daarvan duidelijk moet zijn geweest dat de ab-houder het geleende niet zou kunnen terugbetalen. Overigens verbindt het arrest het gevolg van een winstuitdeling aan de omstandigheid dat aannemelijk is dat de lening niet kan of zal worden afgelost, zonder het moment van de winstuitdeling te beperken.
BNB1964/196 biedt het wél. Dit arrest gaat over een rekening-courant waarvan het verloop al enige jaren sterk schommelt door enerzijds kasopnamen voor privédoeleinden en anderzijds verrekeningen met dividend- en tantièmebetalingen. Hoewel het oordeel van het gerechtshof dat sprake is van een uitdeling, onvoldoende gemotiveerd wordt bevonden in cassatie, volgt op de in 5.2 aangehaalde bewoordingen van dit arrest onmiddellijk (met cursivering van mijn hand):
ook laterzich nog zal kunnen voordoen indien uit de geldopneming aanvankelijk wel een schuld is ontstaan, doch deze later zonder betaling of verrekening wordt teniet gedaan (…)”
BNB1964/196 volgt nadrukkelijk dat het moment van de winstuitdeling niet is beperkt tot dat waarop de lening wordt aangegaan. Met het uitsluitsel dat het arrest in zoverre biedt, komt evenwel een tweetal nadere vragen op. Hierna ga ik op deze nadere vragen in.
BNB1964/196 niet een eenduidig antwoord; het zegt niet meer dan dat het gaat om het moment waarop de schuld(vordering) wordt tenietgedaan. Maar welk moment is dat?
BNB2014/98, waarin is beslist – overigens voor een onzakelijke lening, althans onzakelijke borgstelling, “omlaag” – als volgt: [61]
BNB2014/98, niet voor de hand dat de daarin gegeven voorbeelden van kwijtschelding en liquidatie limitatief zijn bedoeld. [63] Daarvan uitgaande verdedigt hij dat (a) de onttrekking bij de schuldeiser en de schuldenaar in aanmerking wordt genomen op hetzelfde moment, (b) dit moment niet ter vrije bepaling van de schuldeiser of schuldenaar is en (c) dit moment intreedt zodra vaststaat of het zo goed als zeker is dat de onzakelijke lening niet wordt afgelost. [64] Als voordelen van dit voorstel noemt Bavinck dat een evenwichtig systeem wordt bereikt dat de rechtszekerheid dient en dat het de bezwaren vermijdt die hij ziet wanneer wél beslissend zou zijn of de lening formeel is tenietgegaan door kwijtschelding of liquidatie, zoals ruimte voor eindeloos uitstel van het moment van de onttrekking en (meer) ruimte voor – wat hij noemt – fiscaal trapezewerk. [65] Als bezwaar van het eigen voorstel noemt Bavinck nog dat de inspecteur mogelijk niet steeds tijdig het moment van de onttrekking onderkent. [66]
BNB2014/98 aanhaalt als voorbeeld waarin definitief vaststaat dat de debiteur niet meer aan zijn aflossingsverplichting zal voldoen, de onzakelijke lening formeel tenietgaat, namelijk kwijtschelding of liquidatie. [68] In zijn naschrift brengt Bavinck tegen het betoog van Heithuis in dat het hanteren van een formeel-juridisch uitgangspunt ter kwalificatie van een geldverstrekking niet de vraag beantwoordt wanneer een onzakelijke lening geheel overgaat naar de kapitaalsfeer.
BNB1964/196 dwingen niet ertoe aan te nemen dat in dat geval een winstuitdeling plaatsvindt uitsluitend wanneer de schuld(vordering) formeel is tenietgegaan; zij laten mijns inziens ruimte de winstuitdeling (ook) te situeren op een ander moment.
BNB1964/196 vindt een winstuitdeling niet plaats zolang de schuldvordering kan worden verrekend. Nadien is in HR
BNB2005/64 beslist dat het bedrag van een lening die niet zal of kan worden afgelost, het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten (als winstuitdeling), ook al kan dit bedrag worden verrekend met een toekomstig dividend. Onvoldoende is dus de enkele omstandigheid dat de vennootschap op elk moment kan besluiten tot een dividend ter verrekening van de schuld (of, bij uitkering van de schuldvordering, ter vermenging daarvan). Ik ga ervan uit dat in HR
BNB1964/196 al hetzelfde ligt besloten. [73]
geheeleen bodemloze put is, is de winstuitdeling gelijk aan het nominale bedrag daarvan. Dit leid ik af uit HR
BNB2015/141. Weliswaar is in die zaak niet gesteld dat de verstrekte leningen niet kunnen of zullen worden afgelost, maar de Hoge Raad overweegt dat, zo dit wél zou zijn gesteld, “de verstrekking van die leningen moet worden aangemerkt als uitdeling van winst […]”. [74] Dit ligt ook wel voor de hand: als aanstonds geheel niet kan worden afgelost, zou de vennootschap niet enig bedrag hebben geleend aan een onafhankelijke derde.
gedeeltelijkeen bodemloze put is. [75] Dan zou de vennootschap aan een onafhankelijke derde slechts een lager bedrag hebben geleend, en wel dat wat aanstonds kan worden afgelost. Anders gezegd, als zij de lening onmiddellijk zou overdragen aan een van haar onafhankelijke vierde, zou zij daarvoor niet meer ontvangen dan dit laatste bedrag, namelijk de waarde in het economische verkeer van de schuldvordering bij verstrekking. Voor het meerdere dat zij wél leent aan de ab-houder, vindt alsdan een winstuitdeling plaats. Een dergelijke winstuitdeling blijkt uit HR
BNB2020/25. In die zaak heeft het gerechtshof een lening voor verbouwingskosten aan de eigen woning aangemerkt als winstuitdeling tot het bedrag dat niet kan worden afgelost uit de mogelijke verkoopopbrengst van de woning (en evenmin uit andere middelen). [76]
BNB2004/265 (over prijsgeven van een garantstelling in concernverhoudingen bij lenen aan derden), [80] HR
BNB2013/109 (over aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid in concernverhoudingen bij lenen van derden), [81] en HR
BNB2015/13 (over aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid door een ab-houder voor een derdenlening aan de vennootschap). [82]
BNB2019/113 doet vermoeden dat tussen het ene uiterste (een winstuitdeling voor het geheel) en het andere uiterste (geheel geen winstuitdeling) nog de mogelijkheid bestaat dat een winstuitdeling plaatsvindt voor een gedeelte, [83] en wel voor zover aflossing uitblijft tot een hoger bedrag dan waarvoor aflossing door een onafhankelijke derde zou zijn uitgebleven. Voor een garantstelling in concernverhoudingen overweegt dit arrest namelijk tevens:
BNB2019/113 zich in zoverre verhoudt tot de bestaande rechtspraak, waaronder HR
BNB2004/265, HR
BNB2013/109 en HR
BNB2015/13. [84] Wat daarvan ook zij, ik leid uit HR
BNB1988/217 [85] af dat voor wat betreft de bodemloze-putlening een winstuitdeling kan plaatsvinden voor een gedeelte. In dit arrest is mede beslist dat aan een vordering:
BNB2013/148. [86] In dit arrest is beslist dat een verlies op een lening die onzakelijk is geworden, aftrekbaar is in zoverre als ook een derde daarop een verlies zou hebben geleden tot het moment waarop de lening onzakelijk is geworden. [87] Ook HR
BNB2019/35 biedt steun daarvoor. [88] Dit arrest betreft een vennoot die aanstonds na uittreden diens negatieve aandeel in het vermogen van een vennootschap onder firma niet kan aanzuiveren. Voor zover een verlies op de vordering tot aanzuivering optreedt tot diens uittreden, vindt het volgens dit arrest niet zijn oorzaak in de vennootschappelijke betrekkingen (mits de rechtsbetrekkingen tussen de vennoten berusten op zakelijke gronden); een verder verlies, dat dus optreedt na diens uittreden, is niet zonder meer aftrekbaar.
BNB1964/196 (zie 5.8-5.9). Voor zover belanghebbende het tegendeel betoogt, [93] gaat dit betoog uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt het.
BNB1964/196, HR
BNB2005/64 en HR
BNB2020/25 (zie 5.2) – of de gelden niet kunnen worden terugbetaald. Anders gezegd, daarvoor is niet beslissend of een verplichting tot terugbetaling bestaat (zie 5.22), evenals het tenietgaan daarvan mijns inziens niet beslist op welk (later) moment gelden zijn onttrokken als winstuitdeling (zie 5.22-5.23). Voor zover belanghebbende klaagt dat het Hof ten onrechte de civielrechtelijke vorm niet beslissend heeft geacht, mist de klacht dan ook doel.
6.Bestuurlijke boete en (al dan niet) grove schuld?
BNB2009/114 [106] – “voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen”. Immers, het Hof verwijt juist belanghebbende onvoldoende zorg te hebben betracht in zijn samenwerking met deze gemachtigde om diens fouten te voorkomen maar noemt de gemachtigde zelf “gerenommeerd”. [107] Bovendien valt deze gemachtigde onder het horizontaal toezicht van de Inspecteur. De Staatssecretaris, die zich refereert aan het oordeel aan de Hoge Raad, bestrijdt een en ander (dus) niet.
BNB2009/114 – wanneer de belastingplichtige op grote schaal gebruikmaakt van zo’n regeling. In het verlengde daarvan zou ik menen dat het net zo min anders wordt alleen door de hoogte van het bedrag waarop een belastingregeling toepassing vindt. Voor zover het Hof belanghebbende verwijt fouten van zijn toenmalige gemachtigde niet te hebben voorkomen alleen al ondanks de omvang van de als lening verstrekte gelden, gaat dit verwijt dus uit van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre treft de klacht mijns inziens doel.