ECLI:NL:PHR:2001:AB3048
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toerekening koopsom aan goodwill en afschrijfbaarheid uitgaverechten in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een beursgenoteerde moedermaatschappij in een uitgeefconcern, kocht in 1994 eigendomsrechten van twaalf titels en overige activa van een andere vennootschap voor een koopsom van ƒ 9.565.445. In de fiscale aangifte werd dit bedrag als goodwill aangemerkt en lineair afgeschreven over vijf jaar, maar de Inspecteur weigerde de afschrijving.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat 95% van de koopsom aan goodwill kon worden toegerekend en 5% aan uitgaverechten, waarbij alleen op de goodwill kon worden afgeschreven. Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende tekenden beroep in cassatie aan tegen dit oordeel.
De Hoge Raad stelt dat de vraag of een activum een zelfstandig bedrijfsmiddel is, een rechtsvraag is die beoordeeld moet worden aan de hand van de functie en plaats binnen de onderneming, waarbij in grensgevallen de opvatting van de ondernemer doorslaggevend kan zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom slechts 5% van de koopsom aan uitgaverechten zou toekomen en dat het oordeel over het niet-slijten van uitgaverechten onvoldoende is onderbouwd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de toerekening van de koopsom aan goodwill en uitgaverechten en de afschrijfbaarheid van de uitgaverechten. Hiermee wordt verduidelijkt dat goodwill een restpost is en dat uitgaverechten als immateriële bedrijfsmiddelen wel degelijk kunnen slijten en afgeschreven moeten worden indien dat aannemelijk is.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van de toerekening van de koopsom en de afschrijfbaarheid van uitgaverechten.